Aangepast zoeken
Naar beginpagina Naar overzicht VD AMOKs
VD AMOK
VD AMOK
VD AMOK
Copyright
Adres redactie en abonnementenadministratie
Redactie
Fotografen en illustratoren
Drukker
Verder werkten aan dit nummer mee
Abonnementen
Advertenties
Sluitingsdatum volgend nummer
Naar Inhoudsopgave
Een cruciale 'bijkomstigheid' was dat in het kader van dezelfde oorlog in een aantal landen, de VS voorop, wettelijke maatregelen werden genomen die een reeks mensenrechten inperkten, terugdrongen of teniet deden. Zo'n oorlog tegen het terrorisme heeft, nog los van de belangen die ermee gediend worden, ook een eigen dynamiek. De repressie creëert overal nieuwe vijanden, die weer de aanleiding vormen voor nog meer maatregelen. De politieke context, de vruchtbare grond waarin het terrorisme gedijt, wordt stelselmatig genegeerd, bestaande rechten afgebroken, internationale verdragen verscheurd en onder de voet gelopen. Het is dan ook geenszins merkwaardig dat de volgende oorlog al weer in aantocht is. Deze keer zal Irak worden aangevallen; bij ontstentenis van een directe relatie met Al Qaeda wordt nu het punt van de massavernietigingswapens uit de kast gehaald. De Amerikaanse logica voor een oorlog is voor het grootste deel machtspolitiek: ten eerste de behoefte om een ideologisch wapenfeit neer te zetten waarmee de Amerikaanse hegemonie wordt bevestigd; ten tweede de oliebelangen, waarbij het niet zozeer gaat om de eigen behoeften, als wel de controle over een van de grootste reserve voorraden ter wereld. Het derde argument is tevens het propagandistische: namelijk de beschikking van Irak over massavernietigingswapens, waarbij biologische en chemische wapens als een cruciale mogelijkheid worden bezien. Daarmee zou de veiligheid van de VS, direct of indirect, bedreigd worden. De beweging tegen de nieuwe oorlog, die vermoedelijk ergens tussen begin november en eind februari zal plaatsvinden, zal zich moeten bezinnen op haar argumenten. Men kan volhouden dat de aard van het Irakese regime (de term 'slager van Bagdad' voor Saddam Hoessein is beslist niet af te doen als Amerikaanse propaganda) geen afdoende reden is om een aanvalsoorlog te beginnen tegen een soevereine staat. Ook het bezit van massavernietigingswapens kan geen argument vormen om zo een oorlog te voeren: dan zou die immers ook tegen de acht kernwapenstaten en de tientallen andere landen met biologische en chemische wapens gevoerd moeten worden (en door wie dan?). De crux zit hem in de combinatie van het strategische belang van Irak (olie), het bezit van massavernietigingswapens en de repressieve aard van het regime, dat in het verleden niet aarzelde om chemische wapens tegen haar eigen opstandige bevolking te gebruiken. Als we vinden dat zo een land niet mag worden aangevallen door andere landen dan blijft slechts de hoop op een succesvol gevoerde oppositie binnen het land zelf over. De progressieve beweging in Nederland steunde jarenlang diverse guerrilla oorlogen in Zuidelijk Afrika tegen het apartheidsbewind. Waarom zou het niet legitiem zijn om een oppositie tegen Saddam Hoessein te steunen? De problemen ontstaan als die oppositie zelf verdeeld is en deels uit figuren bestaat die een nieuwe militaire dictatuur willen vestigen. En ook als die oppositie vraagt om een door de Veiligheidsraad gesanctioneerde interventie om een opstand tegen Saddam Hoessein te ondersteunen. We weten immers nu al dat die steun al wordt georganiseerd door de Amerikaanse regering, met bedoelingen die slechts toevallig zullen samenvallen met de belangen van de Irakese bevolking. Het is daarom zaak voor de Nederlandse anti-oorlogsbeweging om haar oppositie tegen de komende oorlog goed te onderbouwen, wellicht in overleg met (delen van) de Irakese oppositie.
Nederlandse troepen gaan op vredeskamp in Macedonië. Maar hoe ziet het er daar uit? Een jaar is verlopen sinds de leiders van de vier grootste politieke partijen (twee Macedonische en twee Albanese1), de president van de republiek én de vertegenwoordigers van de Europese Unie (Francois Léotard) en de Verenigde Staten (James W. Pardew) op 13 augustus 2001 de raamovereenkomst van Ohrid tekenden. Dit akkoord zou (werd destijds beloofd) een eind maken aan de oorlog tussen het Nationale Bevrijdingsleger (NLA) en de Macedonische strijdkrachten en politie, gelijkberechtiging realiseren tussen de verschillende etnische groeperingen in Macedonië (door middel van een groot aantal Grondwetswijzigingen), de vertegenwoordiging in het staatsapparaat bevorderen van "etnische gemeenschappen die niet tot de meerderheid behoren". Kortom, het akkoord was, zo heette het, eindelijk de 'historische overeenkomst' tussen Macedoniërs en Albanezen, die Macedonië op de kaart zou zetten als een staat waarin alle burgers gelijk zijn.
Vrede? Dergelijke kleinschalige aanvallen en beschietingen vinden vrijwel elke dag plaats. De favoriete verklaring van de NAVO-troepen voor deze incidenten is, dat het om bruiloftsgangers gaat. De nachtelijke berovingen op de autowegen worden doorgaans toegeschreven aan ongehoorzame voormalige leden van het Nationaal Bevrijdingsleger. De politie meldt, dat er een nieuwe guerrillabeweging is ontstaan die zich het "Republikeinse leger van Ilirida" noemt. De rapporten berusten deels op informatie over massale militaire acties in Macedonië, die de NAVO verstrekt heeft aan de Macedonische autoriteiten die de door Albanezen bewoonde gebieden moeten verenigen. Tot nu toe heeft de NAVO alleen bevestigd dat zo'n beweging, die acties in Macedonië voorbereidt, bestaat, zij het uitsluitend in Kosovo. Maar de politie kwam slechts enkele dagen later met berichten over diverse acties, waaronder een verijdelde poging van deze organisatie om een brug bij Skopje op te blazen. De sporadische nachtelijke schotenwisselingen in steden die niet in het eigenlijke oorlogsgebied liggen worden uitsluitend in de pers gemeld, maar alleen als het kwaad al is geschied. Nog steeds worden 12 Macedoniërs en 6 Albanezen, allen burgers, vermist. Ooggetuigen melden dat de meeste vermiste Macedoniërs door geüniformeerde NLA-leden ontvoerd zijn. En de auto van één van de vermiste Albanezen is bij een politiebureau gezien. Hun familie hoopt nog steeds deze vermisten eens terug te zien. Duizenden Macedoniërs kunnen nog steeds niet naar hun huizen terug, vanwege bedreigingen door Albanese buren of omdat hun woning is leeggeroofd en verwoest. Tot zover de vrede, die in Ohrid beloofd werd. Vrede is veel meer dan de afwezigheid van oorlog. Watvoor vrede werd hierboven beschreven? Wat is het voor vrede waar wapens overal beschikbaar zijn? Watvoor vrede kan worden bewerkstelligd in een land dat onofficieel wereldrecordhouder werkloosheid is (vermoedelijk meer dan veertig procent)?
Verkiezingseuforie Ljubco Georgievski, de huidige premier en leider van de VMRO-DPMNE, de Macedonische regeringspartij, benadrukt in zijn campagne de kracht van het door hem gevormde leger en belooft dat daarvoor in de toekomst meer wapens gekocht zullen worden; hij trekt zijn handen af van de overeenkomst, die hij getekend heeft. En zijn politieminister, de hardliner Ljube Boskovski, krijgt ovationeel applaus voor zijn anti-Albanese toespraken en zijn belofte van "stevige maatregelen". Beiden dragen openlijk bij aan een negatief klimaat voor NGO's, die ze verwijten anti-Macedonisch te zijn en door het Westen te worden betaald.
Ali Ahmeti, ex-leider van het NLA, heeft een partij gevormd met de naam Democratische Unie voor Integratie, waarmee hij een - in vergelijking met de anderen - gematigde campagne voert, maar wel met de symbolen van de overwinnaar uit de strijd en met NLA-commandanten in de voorste rijen. Er zijn grote gebieden waaruit niemand in vrijheid kan berichten wat er gebeurd is. En bij de andere gevaren waarop internationale organisaties wijzen komt nog het risico dat leden van de speciale politie-eenheid Lions worden ingezet om de verkiezingen te saboteren. En er zijn veel meer mogelijkheden voor manipulatie en geweld. Waar je ook kijkt kan bijna iedereen zijn eigen legertje huren; het vinden van wapens is geen probleem, die hebben ze al. Ik geloof niet dat gelijkwaardigheid alleen een "voldoende vertegenwoordiging van verschillende etnische gemeenschappen in de organen van de staat" betekent. Volgens mij bestendigt deze benadering het dominante karakter van de etnische identiteit, zo niet als het enige dat werkelijk waarde heeft. Dit zet de deuren wijd open voor nieuwe nationale leiders die hun carrière bouwen met het gif van nationalisme en haat. Welke gelijkheid is er zonder gendergelijkheid? Hoe zit het met sociale gelijkheid? Een individu kan miljoenen identiteiten aannemen, waarvan de nationaliteit er slechts een is.
Peacekeeping missies In onze ogen is duidelijk dat de NAVO een effectieve troepenmacht in Macedonië wenst te behouden. Waarschijnlijk omdat de voornaamste aanvoerroute die de NAVO naar Kosovo heeft van Thessaloniki door Macedonië loopt. Deze massale aanwezigheid van rijke Westerse soldaten verhoogt de spanning (er zijn vele gevechten met autochtonen), maar veel verontrustender is de groei van de vrouwenhandel en slavernij, het vreselijke lot dat veel vrouwen uit de Oekraïne, Modavië en Bulgarije ondergaan.
Toekomst? Er moet tussen hen nog een brug worden geslagen. Een brug die gebouwd wordt op respect en gezamenlijke aspiraties. Het kader dat de nationale identiteit biedt is te beperkt. Er moeten verbanden worden gelegd met het thema gender, met het sociale vraagstuk en de vele andere behoeften, die de mensen die hier wonen delen. Bewegingen in die richting moeten worden versterkt. Tot het zover is wordt de enige brug geboden door corrupte verkopers van dromen in hun run op parlementszetels. Die brug is echter niet realistisch, maar verdwijnt als de TV wordt uitgezet.
Zoals algemeen vermoed liggen op de luchtmachtbasis Volkel in Noord-Brabant nog altijd een elftal Amerikaanse kernwapens opgeslagen. De regering doet hierover, net als de regeringen van de vijf andere Europese landen waar Amerikaanse kernwapens liggen opgeslagen, geen mededelingen: de aanwezigheid wordt bevestigd noch ontkend. Dit was één van de redenen dat de afgelopen jaren anti-kernwapenactivisten door middel van zogenaamde burgerinspecties zelf de vliegbasis betraden. Ze wilden informatie verzamelen over deze kernwapenopslag die strijdig is met het internationaal recht. Deze inspecties leverden in Nederland het definitieve bewijs van de aanwezigheid van kernwapens op Volkel op. Op 5 oktober aanstaande zal op de Belgische vliegbasis Kleine Brogel voor de laatste maal een massale burgerinspectie plaatsvinden. Mocht deze nog altijd niet tot het gewenste resultaat, verwijdering van de kernwapens, leiden dan zal er worden overgegaan tot daadwerkelijke ontwapeningsakties: van bomspotting naar bomstopping.
Nucleaire taak verminderd naar één F16-squadron
Joint Strike Fighter
Van bomSPOTting naar bomSTOPping
Deelname vanuit Nederland
Uitslag enquête
Rechtszaken
Meer informatie over akties in Nederland en over kernwapens in het algemeen is te vinden op www.vredessite.nl/kernwapens/
De confrontatie tussen India en Pakistan gaat door, ondanks een vermindering van de spanning van het afgelopen voorjaar. Het risico dat een oorlog tussen de twee landen uitloopt op een nucleaire confrontatie is nog steeds levensgroot. Alle reden dus, om het wapenembargo dat was ingesteld als gevolg van de kernproeven van 1998, in acht te nemen. Zoals Frank Sljper van de Campagne tegen Wapenhandel hier uitlegt, dacht de Nederlandse regering daar anders over. Terwijl de relatie tussen Pakistan en India sinds eind vorig jaar een nieuw dieptepunt heeft bereikt, heeft Paars 2 in haar nadagen het bijna vier jaar oude wapenembargo tegen de nucleaire aartsrivalen opgeheven. Stiekum, want kamerleden zeggen van niets te weten. Terwijl hun was beloofd vooraf geïnformeerd te worden. Half mei dreigden India en Pakistan elkaar voor de zoveelste keer in een oorlog te storten. Directe aanleiding was een zelfmoordaanslag van moslimstrijders op een Indiaas legerkamp in de deelstaat Jammu & Kashmir, waarbij 34 doden vielen. India wees direct met de beschuldigende vinger naar Pakistan, dat ondanks allerlei mooie praatjes de Kashmiri separatisten nog altijd zou steunen. "De tijd voor woorden is voorbij en de tijd voor actie is gekomen", aldus India's hoogste landmachtgeneraal. Zelfbenoemde president Musharraf van Pakistan zei dat zijn land helemaal geen zin in oorlog heeft, "maar als er een oorlog tegen ons ontketend wordt, dan zullen we met alle macht terugslaan en de vijand op gepaste wijze van antwoord dienen". Om die woorden kracht bij te zetten voerde Pakistan tegelijkertijd een drietal testen uit met raketten die met een kernkop uitgerust kunnen worden. Hoewel de retoriek over en weer haast een ritueel karakter heeft, is de toegenomen spanning wel degelijk reeël. Vanaf 1998, toen beide landen kernproeven hielden, is de situatie langzamerhand verergerd. In de Kargil-oorlog het jaar daarop regende het van beide kanten nucleaire dreigementen. Eind 2001 begon India haar grootste mobilisatie ooit, vlak nadat het parlement in New Delhi doelwit was geweest van een bomaanslag. Gewoon treinverkeer was dagen achtereen amper mogelijk vanwege de naar schatting 750 duizend militairen die naar de westgrens werden gedirigeerd. Aan Pakistaanse kant werden drie- tot vierhonderdduizend soldaten opgesteld. Hoewel een tijdje later de ergste druk van de ketel leek, bleven de troepen aan de grens paraat. Na de aanslag in mei was de spanning weer zo te snijden dat de ene na de andere hoge politicus naar Zuid-Azië afreisde om druk van de ketel te halen. Meer dan ooit werd er rekening gehouden met de mogelijkheid van een nucleair drama. Ook half mei onthulde het VPRO radioprogramma Argos dat Nederland begin december 2001 op slinkse wijze een einde heeft gemaakt aan het wapenembargo tegen India en Pakistan, dat sinds de kernproeven bestond. Al een aantal keren had de Paarse regering geprobeerd deze wapenstop ongedaan te maken, maar steeds waren zij op het verzet van een meerderheid van de Tweede Kamer gestuit. In oktober vorig jaar had Argos al lucht gekregen van een op handen zijnde koerswijziging, nadat de VS hun embargo hadden opgeheven om steun te verwerven voor hun oorlog in Afghanistan. Toenmalig staatssecretaris Ybema van Economische Zaken ontkende kort na de uitzending nog dat daarvan sprake zou zijn. Toch liet zijn collega van Buitenlandse Zaken, minister Van Aartsen, in een overleg met de Kamer twee maanden later een heel ander geluid horen. "De gewijzigde houding van India en vooral Pakistan sinds die datum (11 september, FS) zal van invloed zijn op het beleid van de regering ten opzichte van deze landen. Overigens betreft het nog steeds een spanningsgebied en zullen de criteria voor het wapenexportbeleid strikt worden toegepast." Kamerleden zeiden achteraf dat zij zich geen moment hebben gerealiseerd dat daarmee het einde van de stop op wapenexportvergunningen voor India en Pakistan een feit was. Zowel Hoekema (D66) als Apostolou (PvdA), beide aanwezig bij het jaarlijkse wapenexportoverleg, zeiden in een eerste reactie niets te weten van een beleidswijziging. Navraag bij Economische Zaken bevestigde echter dat sinds 12 december 2001 weer wapens naar de twee landen geleverd mogen worden. Dat hiervan meteen gebruik is gemaakt blijkt uit het jaarverslag wapenexportbeleid 2001, dat afgelopen juli verscheen. Voor in totaal twee-en-een-half miljoen euro zijn er die laatste maand wapenexportvergunningen goedgekeurd. Uit onderzoek van het VPRO radioprogramma Argos, in samenwerking met de Campagne tegen Wapenhandel, blijkt verder dat op andere manieren al veel langer aan het wapenembargo is geknaagd. Exportvergunningen waarvan de looptijd - normaal een jaar - is verlopen, werden gedurende het wapenembargo rustig verlengd en alsnog afgeleverd. In een geval gaat het om de uitvoer van Flycatcher radarsystemen van Thales Nederland (voorheen Signaal) met een waarde van ruim 9 miljoen euro. Het leeuwendeel hiervan ging pas in de loop van 2001 de grens over naar India. Ook een ander radarsysteem van Thales Nederland, de Reporter, kreeg in december 2000 groen licht, direct nadat Van Aartsen en Ybema een brief naar het parlement stuurden waarin zij aankondigen het embargo op te heffen. Hoewel de Kamer met de motie Apostolou de regering een maand later terugfluit, is de Reporter dan al het land uit. Een andere sluiproute blijkt er te bestaan voor onderdelen van nachtzichtapparatuur. Delft Electronische Produkten in Roden heeft jaren geleden een joint venture gesloten met het Indiase Bharat Electronics, onder de naam BE-Delft. Deze in India gevestigde joint venture produceert zogeheten tweede generatie beeldversterkerbuizen. Hoewel de meeste beeldversterkerbuizen van BE-Delft als nachtkijkers bij het Indiase leger terechtkomen, is de technologie sinds enkele jaren niet meer exclusief militair. Een jager met geld mag tegenwoordig een nachtkijker van dezelfde kwaliteit kopen. Om die reden is ergens eind jaren negentig de kwalificatie voor deze spullen gewijzigd, van 'militaire goederen' naar 'dual-use', ongeacht of de uiteindelijke klant een militair dan wel een burger is. Daarmee vallen ze buiten de veel strengere regels die voor militaire goederen gelden. In Roden moet men erg blij zijn geweest dat deze verandering vrijwel samenviel met het instellen van het wapenembargo tegen India en Pakistan. De lucratieve samenwerking met de Indiërs kon rustig voortgezet worden. Het is nu afwachten wat de nieuwe regering met dit dossier gaat doen. Gevreesd moet worden dat zolang de vlam niet volledig in de plan slaat, Nederlandse bedrijven volop de kans krijgen de geleden schade van de afgelopen jaren in te halen, of het beleid nu terughoudend zal heten of niet. Dat beide landen een belangrijke afzetmarkt zijn voor Nederlandse wapens bevestigt het Zweedse onderzoeksinstituut SIPRI nogmaals. Onderzoekers hebben berekend dat onze wapenindustrie de afgelopen tien jaar na Rusland de belangrijkste leverancier van de Indiase krijgsmacht is geweest. In het geval van Pakistan is Nederland de achtste wapenexporteur.
Het Turkse establishment moet dit najaar opnieuw positie kiezen in een Amerikaans plan om Saddam Hoessein, de dictator te Bagdad, van zijn troon te stoten. In de herfst van 1990 moest Turkije al eens eerder beslissen over deelname aan een internationale coalitie, toen tegen de Iraakse bezetting van Koeweit. De premier en latere president, Özal, wist de huiverige Turkse elite over te halen mee te werken aan de oorlog die in januari 1991 daadwerkelijk begon. De Turkse ervaringen met dat avontuur worden over het algemeen niet hoog gewaardeerd. Opnieuw huivert de Turkse elite, maakt ze de balans op en trekt ze een wissel op de toekomst.
Ondanks een verschrikkelijke schuldenlast van zo'n 160 miljard dollar, een onverminderd gierende inflatie (zeker 40% dit jaar) en onduidelijkheid over politieke oriëntatie op de toekomst, waaronder een onzeker lidmaatschap van de EU, heeft de politieke en militaire leiding voorbereidingen getroffen op wat onvermijdelijk lijkt. Een Amerikaanse aanval op Irak. De discussies daarover sijpelen door in de Turkse pers. Toch zal een besluit hierover pas na de verkiezingen van 3 november door een nieuwe regering naar buiten worden gebracht.
De vorige Golfoorlog heeft de Turkse economie volgens algemeen aanvaarde wijsheid 80 miljard Duitse Mark aan gederfde inkomsten in de handel met Irak gekost. Een offer dat niet opnieuw door de Turkse economie kan worden opgebracht. De afgelopen jaren konden economie en politieke systeem slechts met enorme leningen van het IMF overeind worden gehouden. In totaal staat Turkije voor zo'n 160 miljard dollar in het krijt en menige Turk vraagt zich af hoe dat ooit moet worden terugbetaald. De leidster van de Partij van Het Juiste Pad, Tansu Ciller, ooit premier in de hoogtijdagen van de anti-guerrillaoorlog (1993-1997), heeft zich inmiddels vol verve opgeworpen als kandidaat-premier. Als uitdrukkelijke reden liet zij begin juli al weten, dat zij Turkije wil leiden in de oorlog tegen Irak. Ze wil alleen meedoen aan de strijd als de helft van de schulden wordt kwijtgescholden. Dus als de Amerikanen om te beginnen 80 miljard dollar willen betalen dan valt er verder te praten.
Huurlingenland
Scenario's
Stoelendans
Veilige haven
Kirkoek Een relatief voorzichtig plan wil een strook grond van zo'n 40 km breed bezet houden die moet dienen als veiligheidszone als zich een herhaling van 1991 voordoet. Onderdeel van dat plan is het inrichten van vluchtelingenkampen. Dat is althans één van de lezingen van de oorlogsvoorbereiding. Dit plan gaat uit van de huidige staatsgrenzen. Meer van belang is hoe Turkije beloond zal worden voor gederfde inkomsten sinds tien jaar en mag profiteren van de verwijdering van het regime in Bagdad. Buiten kijf staat dat de olie van Kirkoek een van de hoofdprijzen van de oorlog wordt. Deze zeer belangrijke stad valt nu buiten het huidige Koerdische bewind. Als er een Iraakse federatieve staat komt, wat de Koerden officieel zeggen te willen, dan zullen de Koerden de revenuen van Kirkoek nodig hebben om hun maatschappij verder op te bouwen, binnen de federatie Irak. Maar als Turkije invloed wil verwerven in Noord-Irak én schadeloos worden gesteld voor geleverde diensten aan de val van Saddam Hoessein en schadeloosstelling voor twaalf jaar gederfde inkomsten aan de handel met Irak, dan zouden de olieputten van Kirkoek een aantrekkelijke bron van inkomsten voor Turkije worden.
Turkmenen
Het Nationale Pact van 1920
Turkse militaire aanwezigheid in Mosoel
PKK-bestrijding
3 november
Zijn de Amerikanen al in Irak?
Volgens berichten in de Britse pers zal een niet in gebruik zijnde Iraakse luchtmachtbasis die nu bezet is door Turkse commando's een belangrijke rol spelen in de Amerikaanse oorlog tegen Irak. Er is begonnen met het repareren en verbreden van de landingsbanen van het vliegveld Bamarni dat 80 kilometer buiten de Koerdische zone van Irak ligt. In augustus is deze basis tijdens een geheime militaire operatie bezet door Turkse troepen en Amerikaanse special forces. Het bericht is bevestigd door de Iraaks-Koerdische oppositieleider Talebani de Iraakse vice-president Taha Yassin. In dezelfde maand zijn er verschillende Amerikaanse Hercules militaire transportvluchten gemeld vanuit bases in Turkije naar Bamarni. Uitgeladen werden zware graafmachines en elektronische apparatuur. Terwijl Turkse troepen posities innamen rond dit vliegveld, bezetten Amerikaanse special forces en een Turkse elite-commandoeenheid twee andere strategische militaire punten op heuvels rond de luchtmachtbasis bij Dohoek in Iraaks Koerdistan. Hiermee kunnen de Amerikanen de hele regio met de industriesteden Al Mawsil en Kirkoek beheersen plus de strategische spoorverbinding tussen Syrië en Irak. De verdenking bestaat dat deze spoorweg een smokkelroute is voor wapens naar Irak in ruil voor illegale olie-export.
Sinds de opschorting van de dienstplicht in 1996 lijkt de aandacht in Nederland voor dienstweigeren in buitenland wat afgenomen. Onterecht, want in een groot deel van Europa bestaat de dienstplicht nog altijd en is dienstweigeren nog steeds een actuele kwestie. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken rond dienstplicht en dienstweigeren in Europa, met speciale aandacht voor de rol van de dienstweigerbeweging. (De landen in de voormalige Sovjet-Unie komen in een volgend nummer van VD AMOK, 2003 nr. 2, aan de orde).
De toekomst van de dienstplicht in Europa Ondanks de afschaffingstrend van de jaren negentig is het einde van de dienstplicht in Europa zeker niet nabij. Een aantal Westeuropese landen kiest bewust voor het instandhouden van de dienstplicht, met Duitsland als bekendste voorbeeld. In het jaar 2000 is de toekomst van de dienstplicht uitgebreid in het Duitse parlement besproken waarbij er met uitzondering van de Groenen consensus bestond om de dienstplicht te behouden. Naast Duitsland bestaat er ook in Oostenrijk, Zwitserland en Scandinavië vooralsnog politieke consensus om de dienstplicht in stand te houden. In Oost-Europa (inclusief de voormalige Sovjet-Unie) valt afschaffing van de dienstplicht evenmin te verwachten. Los van het feit of de politieke wil bestaat, is afschaffing om financiële redenen niet realiseerbaar, aangezien de meeste landen de hogere salarissen van beroepssoldaten niet kunnen betalen. Een aantal Oosteuropese landen hebben, mede met het oog op lonkend NATO-lidmaatschap, weliswaar te kennen gegeven de dienstplicht eventueel op langere termijn te willen afschaffen maar voorlopig heeft dit geen consequenties voor de nabije toekomst. Tsjechië en Hongarije vormen de enige uitzonderingen. In de herfst van 2001 nam het Tsjechische parlement een plan tot hervorming van het leger aan, dat voorziet in afschaffing van de dienstplicht in 2007. In Hongarije stemde het parlement in 2000 een voorstel tot afschaffing van de dienstplicht met nipte meerderheid weg. Na de verkiezingen van 2002 hebben de liberalen en sociaal-democraten, die beiden de dienstplicht willen afschaffen, een meerderheid in het parlement. De mogelijkheid is hiermee aanwezig dat de komende jaren alsnog wordt besloten om de dienstplicht af te schaffen.
Het Westeuropese dienstweigermodel Binnen het Westeuropese dienstweigermodel hebben de strijdpunten tussen de overheid en de dienstweigerbeweging doorgaans betrekking op de condities van de vervangende dienst en de rechtspositie van dienstweigeraars ten opzichte van dienstplichtigen. Ondanks deze pacificatie van het dienstweigeren zijn er in West-Europa wel degelijk controverses. Met name in Finland zijn de gemoederen rond het dienstweigeren de afgelopen jaren flink opgelopen. Aanleiding is de verkorting van de militaire dienst van acht tot zes maanden in 1998, waarbij de lengte van de vervangende dienst niet evenredig werd verkort en dertien maanden bleef. Uit protest tegen de ontstane discriminerende lengte van de vervangende dienst heeft een groeiend aantal dienstweigeraars zich uitgeroepen tot totaalweigeraar. Zij worden doorgaans veroordeeld tot een half jaar gevangenisstraf. Op dit moment zitten 25 Finse totaalweigeraars in de gevangenis. Sinds 1999 heeft Amnesty International 27 Finse totaalweigeraars als gewetensgevangenen geadopteerd, een nogal beschamende zaak voor een land dat zichzelf graag beschouwt als vooruitstrevend op mensenrechtengebied. Desalniettemin lijkt de Finse regering niet bereid de lengte van de vervangende dienst te verkorten. De campagne van de Finse dienstweigerbeweging kreeg in september 2001 een verrassende wending toen totaalweigeraar Jussi Hermaja, die veroordeeld was tot 197 dagen gevangenisstraf, politiek asiel aanvroeg in België. De Belgische autoriteiten zitten duidelijk met het asielverzoek in de maag en hebben tot op heden nog geen beslissing genomen.
Oost-Europa De export van het Westeuropese dienstweigermodel gaat echter zeker niet voor heel Oost-Europa op. Roemenië en Bulgarije zijn hiervan goede voorbeelden. In Roemenië en Bulgarije werd het recht op gewetensbezwaren tegen militaire dienst al in 1991 in de grondwet opgenomen. Desalniettemin werden in de jaren negentig enkele tientallen dienstweigeraars tot gevangenisstraffen veroordeeld. De internationale aandacht die dit met zich meebracht was voor de Roemeense en Bulgaarse regering aanleiding om uiteindelijk in respectievelijk 1996 en 1998 een dienstweigerwet in te voeren. Op deze wet is echter slechts door enkele tientallen dienstweigeraars een beroep gedaan. Dit geringe aantal wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat uitsluitend religieuze gewetensbezwaren worden erkend en de vervangende dienst twee keer zo lang duurt als de militaire dienst. Bulgarije en Roemenië kennen geen brede dienstweigerbeweging en dienstweigeren is eigenlijk uitsluitend een thema voor religieuze groeperingen die hun leden verbieden wapens te dragen, met name de Jehova's Getuigen. Mede vanwege de afwezigheid van binnenlandse politieke en maatschappelijke steun proberen zij vooral via het Europees Rechtshof veranderingen af te dwingen. Zo deed het Europees Rechtshof in mei 2001 een belangrijke uitspraak over de in 1996 ingediende zaak van de Bulgaarse Jehova's Getuige Ivailo Stefanov. Belangrijker nog dan dat Stefanov in het gelijk werd gesteld is de schikking die het Hof en de Bulgaarse regering overeen kwamen. Volgens deze schikking dienen alle sinds 1991 tegen dienstweigeraars gevoerde strafzaken te worden geseponeerd en zal de vervangende dienst in de toekomst even lang duren als de militaire dienst en niet langer onder het Ministerie van Defensie vallen. Momenteel zijn deze beleidswijzigingen echter nog niet doorgevoerd. Vanuit antimilitaristisch oogpunt is de Roemeense en Bulgaarse dienstweigerstrijd weinig aansprekend. Het gaat de Jehova's Getuigen immers vooral om erkenning van de vrijheid van geweten en religie. Dat is op zich niet zo opmerkelijk, aangezien dienstweigerorganisaties vaker de nadruk leggen op het mensenrechtenaspect en dienstweigeren niet zozeer als onderdeel van een antimilitaristische strategie beschouwen. Het blijft echter opmerkelijk dat de dienstweigerstrijd zich in Roemenië en Bulgarije niet verbreedt tot andere groepen dan de Jehova's Getuigen. Wellicht komt hier verandering in wanneer dienstweigeren wettelijk aantrekkelijker is gemaakt. Het kan echter ook zijn dat er bij grote groepen simpelweg geen behoefte bestaat aan een dienstweigerwet omdat de overheid niet in staat is om de dienstplicht af te dwingen, zoals dat ook het geval is in veel landen in de voormalige Sovjet-Unie. In deze regio is het gangbaar om door middel omkoping van keuringsartsen en oproepcommissies de dienstplicht te ontlopen, waarmee de urgentie van een dienstweigerwet ontbreekt. (In het volgende nummer van VD AMOK zal uitgebreid worden ingegaan op de situatie in de voormalige Sovjet-Unie en de beperkte relevantie van het Westeuropese dienstweigermodel in deze regio.)
Voormalig Joegoslavië De afgelopen jaren was met name amnestie voor de honderdduizenden gevluchte dienstweigeraars en deserteurs onderwerp van discussie. In de verschillende landen in de regio werden de afgelopen jaren amnestiewetten ingevoerd, meest recentelijk in Joegoslavië waar in 2001 amnestie werd verleend aan de circa 25.000 dienstweigeraars uit de Kosovo-oorlog van 1999. De amnestieregelingen gaan niet in op erkenning van gewetensbezwaren en dienstweigeren blijft in de meeste landen van voormalig Joegoslavië dan ook een omstreden onderwerp. In Kroatië bestaat al sinds 1994 een dienstweigerwet, maar lange tijd was deze met name bedoeld om het dienstweigeren te ontmoedigen en bestond er slechts de mogelijkheid tot een ongewapende dienst binnen het leger. Na de dood van Tudjman worden dienstweigeraars echter minder vijandig bejegend en sinds mei 2001 bestaat er ook de mogelijkheid tot een vervangende dienst buiten het leger. Dit heeft geleid tot een sterke toename van het aantal dienstweigeraars (momenteel is dit circa 20 procent, in 1999 was dit nog maar 1 procent). Tegelijkertijd heeft het Ministerie van Defensie de afgelopen twee jaar echter geen nieuwe tewerkstellingsplekken meer erkend, waardoor het voor veel dienstweigeraars vooralsnog onmogelijk is om met de vervangende dienst te beginnen. Ook in Bosnië en Macedonië is de situatie op dit moment onduidelijk. In Bosnië bestaat er vooralsnog geen dienstweigerwet, hoewel de Bosnische regering in 2001 aankondigde een regeling te treffen voor dienstweigeraars. In Macedonië werd in juni 2000 een dienstweigerwet ingevoerd, maar deze functioneert in de praktijk nog niet. Zo is er geen erkenningscommissie ingesteld en is nog niet duidelijk waar een vervangende dienst vervuld kan worden. De afgelopen jaren hebben ongeveer 15 jongeren een beroep gedaan op de wet, maar deze verzoeken lijken vooralsnog te zijn opgeschort. Desalniettemin is de huidige situatie natuurlijk een vooruitgang op de jaren 90, toen verschillende dienstweigeraars tot gevangenisstraffen werden veroordeeld. De Federale Republiek Joegoslavië kent geen dienstweigerwet. Na het einde van de Kosovo-oorlog en de val van Milosevic zag de Joegoslavische dienstweigerbeweging nieuwe perspectieven. Begin 2001 startte de Joegoslavische dienstweigerbeweging een campagne voor verkorting van de militaire dienst en erkenning van het recht op gewetensbezwaren. Er werden meer dan 30.000 handtekeningen verzameld voor een door de Yugoslav Lawyers Committee of Human Rights geformuleerd voorstel. Dit voorstel werd in juni 2001 aan het parlement aangeboden en had daar binnen drie maanden besproken moeten worden. Dit is echter niet gebeurd aangezien de legerleiding tegelijkertijd met een voorstel kwam om de militaire dienst te verkorten en de regering besloot om dit voorstel in behandeling te nemen. Aangezien het legervoorstel niet inging op erkenning van gewetensbezwaren, is dit dus nog geen stap dichterbij gekomen. Volgens Women in Black zijn de ontwikkelingen van het vorige jaar een illustratie van de aanhoudende invloed van het leger in de Joegoslavische politiek en desinteresse van politieke partijen in het onderwerp. Ze vormen echter tevens een indicatie van de omvang van de Joegoslavische dienstweigerbeweging. Zo werd aan de handtekeningencampagne meegewerkt door groepen in meer dan dertig steden en heeft zich op initiatief van Women in Black een divers netwerk ontwikkeld van vredes-, mensenrechten en jongerenorganisaties. Hoewel de organisaties zeer verschillen in achtergrond, bestaat er consensus over de wenselijkheid van een dienstweigerwet. Vooral de erkenning dat gewetensbezwaren geen psychiatrische afwijking zijn, is van vitaal belang in de Joegoslavische samenleving.
Griekenland In Griekenland zijn sinds de jaren 50 naar schatting 3.200 Jehova's Getuigen wegens dienstweigeren tot gevangenisstraffen veroordeeld. Hoewel de meeste Griekse dienstweigeraars nog steeds tot de Jehova's Getuigen behoren, bestaat er sinds de jaren tachtig ook een kleine groep antimilitaristische dienstweigeraars verenigd in de HACOM (Hellenic Association of Conscientious Objectors). Deze verbreding heeft er, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Roemenië en Bulgarije, toe geleid dat Griekenland de bijzondere belangstelling van de internationale dienstweigerbeweging heeft gekregen. Mede als resultaat van de jarenlange lobby van bijvoorbeeld het EBCO (European Bureau for Conscientious Objection) heeft het Europees Parlement het Griekse dienstweigerbeleid in de jaren tachtig en negentig verschillende malen expliciet veroordeeld. Deze internationale druk heeft zeker bijgedragen aan de uiteindelijke invoering van een dienstweigerwet in 1998. Deze wet moet echter als een compromis beschouwd worden. Enerzijds is de wet een uiting van de wens van de Griekse regering om bij Europa te horen, anderzijds hoopt de regering met de wet het dienstweigeren te ontmoedigen. Zo duurt de vervangende dienst twee keer zo lang als de militaire dienst en kan ze niet in grote steden vervuld worden. De Griekse regering lijkt te willen bewerkstelligen dat dienstweigeren beperkt blijft tot Jehova's Getuigen en de 'oude garde' van de HACOM, maar niet populair wordt onder nieuwe generaties. Deze strategie lijkt vooralsnog te werken, want het aantal dienstweigeraars is sinds de invoering van de wet in 1998 niet toegenomen. Op dit moment vervullen ongeveer 250 dienstweigeraars hun vervangende dienst, in overheidsinstellingen in afgelegen onherbergzame gebieden. Dit zijn hoofdzakelijk de Jehova-dienstweigeraars; de HACOM-leden hebben de vervangende dienst uit protest tegen het discriminerende karakter geweigerd. Tegen een aantal van hen zijn wederom rechtszaken aangespannen. Momenteel speelt de zaak van Lazaros Petromiledes, die weigert zijn vervangende dienst te vervullen en hiervoor al in 1999 tot vier jaar gevangenisstraf is veroordeeld. In april 2002 kwam Petromiledes opnieuw voor de rechter, maar de zitting werd uitgesteld tot dit najaar. Binnenlandse steun is er niet veel, hoewel de Griekse ombudsman Petromiledes in het gelijk heeft gesteld. Geen enkele grote politieke partij maakt zich sterk voor dienstweigeraars en de in de Griekse samenleving nog altijd zeer invloedrijke Grieks-orthodoxe Kerk heeft een rechtszaak aangespannen omdat men de dienstweigerwet in strijd acht met de grondwet. Opmerkelijk genoeg heeft de Raad van Europa in oktober 2001 geoordeeld dat de Griekse vervangende dienst in strijd is met het Europees Sociaal Handvest, maar de Griekse regering heeft zich tot op heden niets aan dit oordeel gelegen laten liggen.
In dit artikel wordt niet ingegaan op Turkije aangezien er in VD AMOK de afgelopen jaren al uitgebreid is geschreven over de Turkse dienstplicht en dienstweigerbeweging. In een volgend nummer van VD AMOK, 2003 nr. 2, zal worden ingegaan op de voormalige Sovjet-Unie, waar de meeste landen geen dienstweigerwet en nauwelijks een dienstweigerbeweging kennen. De situatie in de voormalige Sovjet-Unie biedt hiermee tevens meer inzicht in de beperkte relevantie van het Westeuropese dienstweigermodel voor de rest van de wereld.
Toelichting
Gebruikte bronnen (onder anderen):
Het buitenland beleid van de Verenigde Staten (VS) vertoont de laatste tijd steeds sterker de kenmerken van het unilateralisme. Dit houdt in dat aan de belangen van andere staten kan worden voorbijgegaan. De Amerikaanse belangen, zoals deze door de Amerikaanse regering worden onderkend, moeten in het buitenland beleid hoe dan ook worden gediend. Dit Amerikaanse beleid is onverenigbaar met de verplichtingen die het internationale recht oplegt.
Gelijke rechten voor staten Ook waar het gaat om de verhouding tussen in staatkundige eenheden georganiseerde groepen van mensen speelt het beginsel van gelijkberechtiging een belangrijke rol. Het Handvest van de Verenigde Naties (VN) getuigt daarvan. Al in het eerste artikel wordt daar gesproken over "het beginsel van gelijke rechten en zelfbeschikking van volken". Art. 2 heeft het over "het beginsel van de soevereine gelijkheid van al haar Leden" (d.w.z. van alle lidstaten van de VN). Internationale geschillen mogen niet worden opgelost door te dreigen met het gebruik van geweld of door het feitelijk gebruik van geweld (art. 2, vierde lid, Handvest). De ene staat mag zich ook niet inmengen in de binnenlandse aangelegenheden van een andere staat (art. 2, zevende lid, Handvest). Ook in de internationale verhoudingen worden inbreuken op de meest wezenlijke normen strafrechtelijk gesanctioneerd. De overtreding van het volkenrechtelijk geweldverbod is strafbaar. De politieke en militaire leiders die voor een dergelijke inbreuk verantwoordelijk zijn, kunnen zich niet beroepen op immuniteit. Dat geldt ook indien het voortbestaan van een volk willens en wetens wordt aangetast door moordpartijen of het opleggen van onmogelijke leefomstandigheden. De volkenmoord is in het internationale recht een misdrijf. Heden ten dage zien we dan ook dat door de VN ingestelde tribunalen degenen berechten die verantwoordelijk zijn voor recente gevallen van genocide. Wanneer we de buitenlandse politiek van een staat aan een kritische beoordeling onderwerpen, zal dan ook de vraag naar de gelijkberechtiging centraal moeten staan. De beantwoording van die vraag leidt tot een onpartijdige stellingname ten aanzien van de buitenlandse politiek van een staat.
Het beginsel van samenwerking Het beginsel tot samenwerking geldt ook in de gemeenschap van staten. Zo wordt in art. 1 van het Handvest van de VN uitdrukkelijk aangegeven dat tot de doelstellingen van die organisatie ook behoort: "Internationale samenwerking te verwezenlijken bij het oplossen van internationale vraagstukken van economische, sociale, culturele of humanitaire aard en bij het bevorderen en aanmoedigen van eerbied voor de rechten van de mens en voor de grondvrijheden voor allen zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst." In de VN-verklaring inzake de beginselen van internationaal recht betreffende vriendschappelijke verhoudingen en samenwerking tussen staten (resolutie van 24 oktober 1970), wordt vervolgens gezegd dat de staten verplicht zijn tot samenwerking met elkaar, overeenkomstig het Handvest. Die verplichting betreft in de eerste plaats de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Maar het gaat ook om de bevordering van economische ontwikkeling, welvaart en mensenrechten.
Haaks op volkenrechtelijke beginselen Op goede gronden zou kunnen worden betoogd dat de CIA de grootste terroristische organisatie ter wereld is. Na de Tweede Wereldoorlog heeft deze organisatie zich overal ter wereld in de binnenlandse aangelegenheden van andere staten gemengd en dood en verderf gezaaid. Daardoor werd de soevereine gelijkwaardigheid van staten in feite door de VS ontkend. Dit alles dus uit naam van de Amerikaanse belangen, die veelal gelijk waren aan die van grote Amerikaanse ondernemingen. Indien de VS het terrorisme daadwerkelijk willen bestrijden en met wortel en tak uitroeien, dan zou eerst in eigen huis orde op zaken moeten worden gesteld. De CIA zou moeten worden ontmanteld en degenen die verantwoordelijk zijn geweest voor de onderscheiden CIA-operaties, waaronder bijvoorbeeld de schrijftafelmoordenaar Kissinger en de illegale wapenhandelaar Oliver North, zouden alsnog moeten worden berecht. De gelijkberechtiging wordt ook volkomen uit het oog verloren wanneer de Amerikaanse regering met alle middelen wenst te voorkomen dat Irak de beschikking zou krijgen over massavernietigingsmiddelen. De VS houden zelf, in weerwil van een duidelijke uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 1996, vast aan het bezit van nucleaire massavernietigingsmiddelen. Over het bezit van massavernietigingsmiddelen van Israël maken de VS zich geen zorgen. Dit terwijl Israël nog steeds buitenlands territoir bezet houdt en op grove wijze mensenrechten schendt van de bewoners van die bezette gebieden.
De sabotage van het Internationaal Strafhof Het is ook duidelijk dat de implicaties van een goed functionerend Internationaal Strafhof onmiddellijk werden ingezien door de Amerikaanse verantwoordelijken voor talloze misdrijven naar internationaal recht. De Amerikaanse regering piekert er niet over om bijvoorbeeld Kissinger en North strafrechtelijk te vervolgen voor alle misdaden waarvan zij de aanstichter waren. Indien de VS zouden toetreden tot het verdrag inzake het Internationaal Strafhof, zouden zij gedwongen kunnen worden ofwel Kissinger en North zelf te berechten ofwel hen uit te leveren voor berechting door het Internationaal Strafhof. Door bilaterale verdragen met andere landen te sluiten, hopen de VS te voorkomen dat de bewegingsvrijheid van Amerikaanse misdadigers wordt beperkt. In deze bilaterale verdragen leggen andere landen zich erop vast geen Amerikanen te zullen overdragen aan het Internationaal Strafhof. Immers, als Amerikaanse misdadigers niet door de VS worden berecht, dan kunnen derde landen hen aan het Internationaal Strafhof uitleveren indien zij dergelijke Amerikaanse misdadigers op hun grondgebied aantreffen. Bovendien wensen de VS te voorkomen dat hun eigen misdaden in een internationaal gezaghebbend strafrechtelijke vonnis tot uitdrukking zouden worden gebracht. Het is overigens wel de vraag of dergelijke bilaterale verdragen enige gelding kunnen hebben. Het Weense Verdrag inzake het verdragsrecht (1969) lijkt dit uit te sluiten. Een verdrag waarin afbreuk wordt gedaan aan reeds eerder en met andere partijen aangegane verplichtingen is ingevolge dat verdrag nietig.
Bedreiging van de internationale rechtsorde Deze interpretatie is niet alleen gebaseerd op de geschiedenis van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Er kan ook worden gewezen op een Engels voorbeeld. Na de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog werd in het Verdrag van Versailles voorzien in de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers. Bij het opstellen van de lijst van verdachten, verzette de commandant van de Engelse luchtmacht zich ertegen dat de bemanningen van Duitse Zeppelins die Londen hadden gebombardeerd op die lijst werden geplaatst. Het bombarderen vanuit de lucht was weliswaar toen een onmiskenbaar oorlogsmisdrijf, maar de Engelse generaal wilde een precedent terzake voorkomen. Hij was namelijk van plan om een grote bommenwerpervloot te bouwen, die vanuit de lucht de steden van de tegenstander zou moeten bombarderen. In de Tweede Wereldoorlog werd dit plan volledig bewaarheid, met een afschuwelijke tol aan mensenlevens en vernietiging. De Amerikaanse sabotage van het Internationaal Strafhof geeft dus aan dat de VS zichzelf boven de internationale rechtsorde verheven achten. Geeft aan dat de VS niet uitgaan van gelijkberechtiging van staten en van internationale samenwerking, maar dat zij zichzelf boven de andere staten verheven achten en die andere staten hun wil wensen op te leggen indien dat in het kader van de Amerikaanse belangen nodig zou zijn. Daarmee vormt het Amerikaans unilateralisme de meest ernstige bedreiging van de internationale rechtsorde op dit moment.
Behalve veel activisten houden ook wetenschappers zich met oorlog en vrede bezig. In de serie Toen en nu dit keer de polemoloog Hylke Tromp.
Uit verontrusting over 'een wereld in beweging', waarin de neiging tot geweldgebruik groot is, maar waarin de moderne wapens dat geweldgebruik ondraaglijk hebben gemaakt is de jurist B.V.A. Röling zich in de jaren vijftig van de twintigste eeuw gaan bezighouden met de wetenschap van oorlog en vrede. Als hoogleraar in de juridische faculteit werd hij de eerste directeur van het Polemologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Hoewel de polemologie grote belangstelling genoot - studenten reisden ver voor de Studenten-OV-kaart regelmatig naar Groningen om Rölings colleges bij te wonen - paste het instituut niet goed in de Juridische Faculteit. In de jaren negentig werd het - net als het Criminologisch Instituut - wegbezuinigd.
U stond in de gloriedagen van de polemologie wel bekend als de anti-NAVO-professor; wat deed u kiezen voor de polemologie als uw werkterrein? Hoe verhoudt dit werkterrein zich tot de sociologie?
Professor Röling wilde met de polemologie bijdragen aan het terugdringen van de oorlog, die in de twintigste eeuw zulke afschrikwekkende vormen had aangenomen. Heeft de wetenschap daaraan inderdaad een bijdrage geleverd? Kan wetenschap zo'n bijdrage leveren, en welke aspecten van de wetenschap zijn het dan die zo'n bijdrage leveren?
En anderzijds, is wetenschap die wordt bedreven met zo'n normatieve doelstelling nog wel in staat de vereiste wetenschappelijke distantie - objectiviteit - op te brengen? Anders gezegd: waar ligt in zo'n opzet de grens tussen wetenschap en actievoeren?
Na de Tweede Wereldoorlog is met de anti-kernwapen-beweging de moderne vredesbeweging ontstaan. Was de Vietnambeweging nog vooral een beweging van jongeren, in het kruisrakettendebat van de jaren zeventig en tachtig was een brede doorsnee van de bevolking betrokken. Welke verklaring heeft u er voor, dat die beweging zo massaal kon worden (november 1981 350.000 mensen op het Museumplein, oktober 1983 bijna 500.000 in Den Haag, 1985 3,5 miljoen handtekeningen onder het Volkspetitionnement)?
Welke rol hebben radicale vredesgroepen daarbij gespeeld? Er is veel gespeculeerd over materiële steun aan dergelijke groepen (Stop de N-bom!) van met name de Sovjet-Unie, wat is u daarover bekend? Dat het uiteindelijk niet tot plaatsing van kruisraketten in Nederland gekomen is wordt met name toegeschreven aan de opkomst van Gorbachov en diens Glasnost politiek, en aan de vasthoudendheid van de Nederlandse regering aan het dubbelbesluit. Deelt u die opvatting? De uitvoering van de NAVO-besluiten was voor de achtereenvolgende Nederlandse regeringen door de politieke druk vanuit de vredesbeweging - waarin ook veel politieke geestverwanten van de grote regeringspartijen actief waren - zeer lastig. In hoeverre heeft deze situatie - en dus het bestaan van de vredesbeweging - er aan bijgedragen dat het NAVO-dubbelbesluit uiteindelijk niet is uitgevoerd?
Nederland was niet meer dan een pion in het spel en pionnen hebben niet veel bewegingsruimte. Vaak zie je ze niet staan - en dat gold ook voor Nederland. Een nuisance, die je als een lastige vlieg wegslaat. Het maakte geen verschil.
Na de Val van de Muur werd vooral vanuit de Verenigde Staten (Fukuyama) het "einde van de geschiedenis" gepredikt. Het zou uitsluitend de verdienste zijn van het standvastig optreden van de NAVO dat Oost-Europa haar vrijheid had herkregen. Er was geen reden meer voor ideologische tegenstellingen. Deze gedachte lijkt te worden weerspiegeld door het teruglopen van de belangstelling voor de vredesbeweging en voor de Polemologie. Hoe verklaart u de snelle terugloop van de belangstelling voor de vragen van oorlog en vrede?
In de jaren negentig zien we anderzijds nieuwe oorlogstheaters ontstaan, vooral in Afrika, westelijk Azië en de Balkan. De publieke reactie op deze oorlogen lijkt heel anders georiënteerd dan die in de jaren zestig tot tachtig; er lijkt veel meer steun voor militair ingrijpen. En na 11 september 2001 lijkt de kritiek daarop zelfs vrijwel verstomd. Hoe kan dat verklaard worden en welk licht werpt dit - wellicht - op de publieke betrokkenheid bij het kruisrakettendebat van de jaren zeventig en tachtig?
De vroegere brede vredesbeweging - met name via IKV-secretaris Faber - maakt zich tegenwoordig vooral sterk voor projecten in conflictgebieden. Initiatieven van meer radicale groepen die aandacht vragen voor de invloed van ontwikkelingen in eigen land krijgen echter nauwelijks aandacht. Heeft u hiervoor een verklaring? Welke rol ziet u nog voor de meer radicale vredesbewegingen?
Er zijn twee hoofdlijnen in de motivatie voor (militaire) interventies in zelfstandige staten. De ene, bestrijding van terroristische activiteiten, heeft vooral na 11 september 2001 een hoge vlucht genomen en lijkt algemeen te zijn aanvaard. De andere, het handhaven van de internationale rechtsorde en het tegengaan van genocide, wordt veel minder algemeen aanvaard. Hoe kijkt u aan tegen de toenemende neiging van de internationale gemeenschap, en van sommige staten, in onafhankelijke staten te interveniëren?
Zowel in uw colleges als in enkele boeken heeft u zich sterk gemaakt voor het instrument van de sociale verdediging. In hoeverre hebben technieken van sociale verdediging een rol gespeeld in de mondiale politieke situatie en in hoeverre ziet u in de huidige situatie mogelijkheden voor deze technieken? Is interventie met middelen van sociale verdediging een alternatief voor militaire interventie? En dan wellicht beter te verantwoorden?
12 juli 2002
Oorlog in ColombiaAmerika moet de haat wegnemen In Colombia woedt nog steeds een grimmige burgeroorlog. De bekende Amerikaanse publicist Noam Chomsky bezocht een aantal maanden geleden de provincie Cauca, die door de regering noch de guerilla beweging FARC gecontroleerd wordt. Uit zijn relaas blijkt dat in die gebieden de mensen een alternatieve bestuursstructuur ontwikkeld hebben. Van groot belang zijn de opmerkingen over de FARC, die kennelijk haar sociaal-politieke programma heeft verlaten. Op het moment dat dit geschreven wordt, bombarderen zowel de FARC als de Colombiaanse regering de gemeenten Toribio en Jambalo. Noord-Cauca is het toneel van één van de meest opzienbarende experimenten in het verzet tegen neoliberalisme. Er is een daadwerkelijke ontwikkeling van alternatieven in een moedige en ongewapende strijd voor vrede. De huidige strijd begon toen FARC de regio binnenviel met de intentie de inheemse burgemeesters van deze gemeenten te executeren wegens 'corruptie'. Deze burgemeesters waren verkozen in een direct-democratisch overlegproces, ontwikkeld door het volk van Cauca. De beschuldiging van corruptie tegen hen was ongefundeerd. De inheemse organisaties in Cauca hebben gevraagd om internationale actie voor bescherming tegen deze bedreiging. Ook hebben zij alle gewapende groepen gevraagd hun regio te verlaten, zodat zij verder kunnen gaan met de opbouw van hun autonomie.
Interview: Justin Podur
Onlangs toonde de Nederlandse TV de bijdrage van Noam Chomsky aan het terrorismedebat. Zijn mening is dat op een verschrikkelijke daad als die van 11 september 2001 niet moet worden gereageerd met bombardementen, maar met een aanklacht in het kader van het internationale recht. Hij verwees naar het voorbeeld uit 1984 van de veroordeling door het Internationale Hof van Justitie van de Verenigde Staten wegens hun bijdrage aan een grootscheepse terreuractie tegen het Sandinistische Nicaragua, waarbij 15.000 doden vielen. Nicaragua had toen niet gereageerd met een bombardement op Washington, zoals Chomsky er fijntjes aan toevoegde. In diezelfde tijd was het Irak van Saddam Hoessein druk in de weer met het maken van massavernietigingswapens, met medewerking van de Sovjet-Unie maar ook van Westerse landen, vooral de Verenigde Staten en Frankrijk. Saddam Hoessein gebruikte in 1986 chemische wapens in de oorlog met Iran en roeide in 1987 een groot deel van zijn Koerdische bevolkingsgroep uit met dezelfde wapens. In beide gevallen werd er niet of nauwelijks gereageerd door het Westen. Over chemische wapens gesproken: sinds 1997 is het verdrag op het verbod van chemische wapens in werking. Directeur-generaal van de betreffende organisatie (OPCW) was vanaf het begin de Braziliaan Bustani. Hij werd vorig jaar unaniem herbenoemd voor een tweede termijn, maar afgelopen april plotseling ontslagen door een hardhandige aanval van de Verenigde Staten. De Amerikanen spraken van wanbeleid, maar weigerden dat te onderbouwen. Desondanks stemden Nederland en de andere EU-landen, behalve Frankrijk, met de Amerikanen mee. Dit alles ondanks het feit dat continu onderzoek van de OPCW door deskundigen nooit kritiek op Bustani had opgeleverd. Zij overlaadden wel de Verenigde Staten met kritiek, vooral wegens het intimideren en tegenwerken van inspecteurs en het weigeren van toegang tot delen van hun chemische industrie. Bustani zelf vermoedt dat de verklaring van dit vreemde Amerikaanse optreden ligt in zijn plan om Irak lid van de OPCW te maken en zo meer greep op het chemische arsenaal van Saddam Hoessein te krijgen, terwijl de Amerikanen juist oorlog met Irak willen. In ieder geval lijkt het alsof de Verenigde Staten van dit chemische-wapenverdrag af willen, zoals bij het ABMverdrag, het kernstopverdrag en het biologische-wapenverdrag. Noam Chomsky besloot zijn bovengenoemd betoog aldus: toen de Verenigde Staten de uitspraak van het Internationale Hof negeerden werd in de Veiligheidsraad een resolutie over de noodzaak van eerbiediging van het internationale recht aan de orde gesteld. Die werd verworpen door een Amerikaans veto. Hetzelfde voorstel werd daarna in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen met twee stemmen tegen: de Verenigde Staten en Israël.
"Wij verklaren hierbij dat we het Israëlische leger zullen blijven dienen, in elke missie ter verdediging van de staat Israël. De missies van bezetting en onderdrukking dienen dit doel niet - en wij zullen er geen deel van uitmaken." Op 1 februari 2002 publiceerde de Israëlische krant Ha'aretz een verklaring waarin 53 reservisten lieten weten niet - opnieuw - in de bezette gebieden te willen dienen. Die oproep - de conclusie staat hiervoor afgedrukt - is intussen door een kleine 500 anderen onderschreven. De hele tekst - alsmede een lange lijst ondertekenaars - staat te lezen in de brochure 'De moed om te weigeren', die de stichting Een Ander Joods Geluid (EAJG) en het Steuncomité Israëlische Vredesgroepen en Mensenrechtenorganisaties (SIVMO) dit voorjaar hebben uitgegeven. Daarin rechtvaardigen Israëlische reservisten hun beslissing om niet (meer) deel te nemen aan acties van het Israëlische leger in de door Israël bezette gebieden. Met hun besluit laten deze mensen volgens de redactie zien "dat het Palestijnse zelfmoordterrorisme niet valt te bestrijden met terrorisme van de Israëlische staat". De teksten zijn stuk voor stuk persoonlijke statements, die veelal voortkomen uit de eigen ervaring van de militair. De meesten blijken uitstekend te beseffen wat hun taak en hun rol is: "De vernedering van die mensen vond ik in het begin vreselijk. Maar in het vijftigste huis zijn de Palestijnen nog altijd bang, en ben jij immuun. Als je verdachten wegbrengt moeten ze in de rij lopen, met één hand op de schouder van wie vóór hen loopt. Daar is dan een man van vijftig bij die je vader zou kunnen zijn. Dan krijg je er wel genoeg van. Eén keer heb ik op het punt gestaan ermee te kappen. De meeste van die terroristen zijn zelf niet verdacht; ze zijn aangehouden omdat ze de vader, de broer of de vriend van een vermoedelijke terrorist zijn en omdat we inlichtingen over die mensen uit hen willen sleuren." Dat zeiden twee dienstweigeraars tegen het Belgische Humo (21-05-02). In hetzelfde artikel werd een Israëlische luitenant-kolonel geciteerd over het bloedbad in Jenin: "[Hij] vertelde me dat daar geen sprake was van een echt gevecht, behalve de hinderlaag waar we dertien soldaten verloren hebben. Die operatie was geen veldslag, het was niets meer dan uitkammen. In 99 procent van de gevallen schoten we eerst, en pas daarna begonnen we uit te kammen. Er was geen tegenstand." In het licht van latere rapporten is dit een opmerkelijke verklaring. En wat te denken van de negentienjarige dienstweigeraar die opschrijft wat zo weinigen lijken te willen zien: "Het 'steriele', door de Israëlische staat gecreëerde Joods territorium is een ghetto voor haar Joodse bewoners. Het verhindert hen te integreren in het Midden-Oosten. Niemand - Jood of Arabier - is veilig in dit gebied." Zijn thema is helaas van alle tijden; zijn conclusie is helder. "Ik ben niet bereid een werkelijkheid als deze te aanvaarden. Nog minder ben ik bereid daaraan bij te dragen door in het Israëlische leger of enige andere terroristische organisatie te dienen." Het is niet vreemd, dat kritiek als deze zowel in als buiten Israël op onbegrip stuit en de dienstweigeraars in kwestie zwaar worden aangerekend. De Joodse geschiedenis bestaat immers uit vervolging en Palestina zou het beloofde land zijn waarin daaraan een einde kwam. Maar niet iedereen in Israël denkt zo en het is goed dat organisaties als EAJG dat laten zien. Ze leggen de weigerende reservisten als het ware bemoedigend een hand op de schouder. Anderzijds laat de brochure - zoals het bestaan van deze groep dienstweigeraars op zichzelf - zien dat in Israël nog steeds ruimte is voor een kritisch geluid. De meeste teksten zijn namelijk ook binnen dat land gepubliceerd. Vele andere landen zouden daaraan een voorbeeld kunnen nemen. Ondanks alles is Israël waarschijnlijk nog steeds de minst ondemocratische staat in deze regio. Tjark Reininga
De actuele stand van zaken is te vinden op de website www.seruv.org.
Marleen Teugels
Buro Jansen & Janssen
Lucas Catherine
Bestrijding illegale handvuurwapens in Nederland Het Ministerie van Justitie heeft besloten om de illegale handel in handvuurwapens naar Nederland krachtiger aan te gaan pakken. Betere controle op binnenkomende wapens, hechtere internationale samenwerking, gerichte opsporing van criminele organisaties en preventief fouilleren in risicogebieden zijn de maatregelen waar de minister aan denkt, volgens een persbericht van het ministerie. Het persbericht vervolgt: "De bewindsman reageert hiermee op de uitkomsten van een onderzoek naar smokkel van handvuurwapens vanuit voormalige Oostbloklanden naar Nederland, geschreven door medewerkers van de Universiteit Tilburg." Dit rapport is grotendeels geschreven op basis van politiedossiers, waarin de oorsprong van in beslaggenomen wapens wordt getraceerd en gesprekken met personen van organisaties zoals Europol, Interpol, BVD, en het Bundeskriminalamt. Het rapport biedt veel feiten en gegevens over "een aanzienlijk deel van de illegale wapens die jaarlijks Nederland binnenkomen." Beschreven wordt welke wapens in welk land door welke fabriek vervaardigd worden en zoveel mogelijk ook hoe ze naar Nederland zijn gekomen. Zo wordt ruim 20% van alle handvuurwapens die illegaal naar Nederland vervoerd worden in detail beschreven. Soms ontbreken ook essentiële gegevens. In welk jaar of jaren werden 100 containers met per vracht tientallen tot duizend Belgische wapens via Rotterdam naar het Midden-Oosten, Afrika en Ierland uitgevoerd. Wapenhandel vanuit de voormalige Oostbloklanden naar Nederland roept ook een voor de hand liggende vraag op. Als ruim 20% afkomstig is uit de landen die eertijds tot het Warschau Pact behoorden, komt een kleine 80% uit andere delen van de wereld. Dit is verrassend - meestal wordt er van uitgegaan dat de wapens vooral uit het Oostblok komen. De vraag dringt zich op welke landen dit dan zijn. Daar kunnen we echter alleen maar naar gissen, maar landen als de Verenigde Staten, België, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland liggen voor de hand. In het rapport wordt aan deze 80% hier vrijwel geen aandacht aan besteed. Het ligt dan wel buiten de onderzoeksvraag, maar een rapport dat als aanleiding voor de aanscherping van de opsporing dient, verdient een uitbreiding. Opmerkelijk is ook de aandacht voor de economische rol die deze handel speelt. Die is vrijwel nihil. Transporten zijn risicovol, de wapens moeten worden geproduceerd en leveren in Nederland nauwelijks iets op, zo'n 700-900 Euro voor een pistool bijvoorbeeld, bij een inkoop waarde van een kleine 600 Euro. De exporteur, de tussenhandelaar en de opslag moeten daar ook nog eens van betaald worden. Echter je telt pas echt mee in het criminele wereldje als je beschikt maar vooral handelt in vuurwapens.
Bronnen:
Het gemeenschappelijk beleggingsfonds van het FNV belegt in de kernenergie, milieuvervuilende ondernemingen en bedrijven met beroerde arbeidsomstandigheden en ook in de wapenindustrie, zo meldde NRC-Handelsblad. Het bericht was niet echt verbazingwekkend. De FNV heeft een bad record als het om de wapenindustrie gaat. In de jaren tachtig werden Nederlandse illegale leveranties van kruit aan Iran en Irak goedgepraat, een miljoen doden tijdens die oorlog, maar wel banen in Nederland. Eind jaren negentig zou de vakbond lobbyen voor de opheffing van een wapenembargo naar India. Een bedrijf zou mogelijk een order van 1 miljoen gulden missen door dit wapenembargo en dat was natuurlijk onacceptabel. De FNV heeft wel een beleid als het gaat om investeringen in de wapenindustrie. Geen beleggingen in bedrijven die "een aanzienlijk deel van hun omzet genereren door de productie van en/of handel in wapens, tenzij dit gebeurt in opdracht van democratisch gekozen regeringen in het kader van hun overheidstaak." Kortom geen vuiltje aan de lucht. British Aerospace verkocht zijn wapens aan Indonesië en Saoedi-Arabië met een fiat van de Britse overheid. Lockheed Martin verkoopt zijn wapens met goedkeuring van de Amerikaanse overheid aan tal van landen. Beide bedrijven zitten in de portefeuille. Op grond van dit beleid kan de FNV gewoon doorgaan met zijn beleggingen in de fondsen van de grootste wapenfabrikanten ter wereld. Dat is lucratief want de aandelen van wapenfabrikanten zijn na 11 september flink gestegen. De Joint Strike Fighter De LPF kan niet verweten worden dat ze niet daadkrachtig zijn. Nog niet eens gewend aan het pluche van de Kamerzetels werd al besloten dat deelname aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter (JSF) door moest gaan. Dat Fortuyn hier niet zo voor was werd al snel weggepoetst door Mat Herben - liefhebber van het vliegende geweld. Hij werd daarbij gevolgd door de LPF Kamerfractie. De maandenlange oppositie van SP, GroenLinks en PvdA-kamerfractie tegen deze deelname verdween als sneeuw voor de zon. De stakende stemmen voor deelname in de Kamer 75/75 werden vervangen door een duidelijke meerderheid. Overigens meldde Lodewijk de Waal onlangs dat hij voor de Joint Strike Fighter was: "We hebben leden bij Stork en bij de bond aangesloten piloten die in die straaljagers moeten vliegen. Het gaat dus over hun arbeidsvoorwaarden." Bizar hoe hooguit 50 luchtmachtofficieren hier als argument dienen. Bovendien loopt De Waal met deze opmerking vooruit op de - te verwachten - bestelling van de Joint Strike Fighter, daarvan is immers nog geen sprake. Ook de buitenparlementaire oppositie tegen de geldverslindende aanschaf van de bommenwerpers bleef na het besluit stil. Zeker in tijden van bezuinigingen zou oppositie tegen de standpunten van Herben en De Waal toch mogelijkheden moeten geven. Met deze aankoop zal minimaal 6 miljard Euro gemoeid zijn. Voor het opzetten van een decentrale campagne zijn in ieder geval door heel Nederland mogelijkheden. Ruim 40 Nederlandse ondernemingen zullen mee werken aan de JSF, waaraan wereldwijd zo'n 500 miljard dollar zal worden uitgegeven.
De Staat, Den Haag Bron: Campagne tegen wapenhandel/FS
De nieuwste loot aan de lobby voor een Europese defensie-industrie heet Star 21. Het meest opmerkelijke aan deze organisatie zijn de vele politieke kopstukken uit het Brusselse die lid zijn. Naast een tweetal leden van het Europees Parlement en de directeuren van zes van de grootste Europese wapenfabrikanten, zijn dat vijf Europese commissarissen en Javier Solana (de hoge-vertegenwoordiger van EU voor het gezamenlijke buitenlandse en veiligheidsbeleid). Een zwaardere Brusselse commissie is nauwelijks denkbaar. Veel duidelijker kan dan ook niet onderstreept worden dat de Brusselse beleidsmakers en Europese wapenfabrikanten streven naar een Europese defensie-industrie. De wapenbaronnen maken zich zorgen. Ze zijn bang dat de Europese wapenindustrie een zieltogend bestaan gaat leiden ten opzichte van de Verenigde Staten als deze niet snel Europees gecoördineerd gaat worden en een flinke dosis geld erbij krijgt. Bovendien moeten de wapenexportrichtlijnen aangepast worden en de Amerikaanse markt open voor Europese producten. Deze litanie komt al jaren uit Brussel. Dat Europa op het gebied van luchtvaarttechnologie twee maal zo veel omzet haalt als de rest van de wereld, minus de Verenigde Staten, wordt minder vaak genoemd. Dat Europa net zoveel aan militaire uitgaven besteedt als de rest van de wereld, minus de Verenigde Staten, evenmin. Het is maar naar welke kant je uit kijkt. Washington met zijn excessieve militaire uitgaven lijkt dan niet het beste voorbeeld. Als je echter vindt dat Europa "de vrijheid van aktie hebben in zijn buitenlandse politiek," zoals het rapport stelt dan heb je een eigen sterke wapenindustrie nodig en wacht een gemilitariseerde Europese Unie. Dat in de nationale hoofdsteden minder waarde wordt gehecht aan een EU-wapenexportbeleid blijkt keer op keer. In Engeland heeft New Labour onlangs besloten om de controle op de levering van onderdelen aan meerdere criteria te onderwerpen, waarbij de veiligheidsrelatie met het afnemende land een voorname rol zal gaan spelen. Maatschappelijke organisaties in Groot Brittannië noemden gelijk een duidelijk voorbeeld waar dit beleid toegepast zou kunnen worden: leveringen aan de Verenigde Staten voor wapens die uiteindelijk naar Israël zouden gaan. Vanuit Groot Brittannië zelf zou dat op bezwaren stuiten, maar volgens de nieuwe richtlijnen over de export van componenten via Washington niet.
Bronnen:
Ichiro Ozawa, de leider van een kleine Japanse oppositiepartij, de Liberale Partij, heeft begin september verklaard dat Japan gemakkelijk kernwapens kan ontwikkelen als het dat zou willen. "Kernwapens maken is gemakkelijk", zei Ozawa tijdens een redevoering in de Japanse stad Fukuoka, die samenviel met het bezoek van de Chinese topman Li Peng aan Japan. "Japan kan in korte tijd duizenden kernwapens maken als het dat wil. Waarschijnlijk heeft Japan genoeg plutonium in kerncentrales voor ongeveer 3 à 4000 kernwapens. Als het erop aankomt zal Japan geen militaire nederlaag lijden." Ozawa zei te spreken in het licht van de toegenomen militaire uitgaven van China, die hij ziet als onderdeel van de pogingen van dit land om een supermacht te worden. Ozawa voegde er nog wel aan toe dat hij meende dat Japan en de Chinese Volksrepubliek in vrede samen zouden moeten leven.
Vorige maand vond een protestdemonstratie plaats tegen het voortdurend gebruik van de Ierse luchthaven Shannon door de Amerikaanse luchtmacht. Tussen september 2001 en juli 2002 hebben in totaal 535 Amerikaanse oorlogsvliegtuigen op Shannon bijgetankt. Regelmatig landen er vliegtuigen van de types C-130 Hercules, F-16 en Galaxy C-5. Ook komen er vaak door het Pentagon gecharterde civiele transportvliegtuigen uit de reservevloot die ze kunnen optrommelen in geval van oorlog. Zo zijn er verschillende meldingen van landingen op Shannon door toestellen van het bedrijf World Airways. World Airways werkt al sinds 1986 vrijwel uitsluitend voor de Amerikaanse militairen, gewoonlijk voor het US Air Mobility Command. Vorig jaar september kregen ze een contract voor 175 miljoen dollar van het Pentagon voor transportvluchten, zowel met militaire passagiers als met vracht. Ze vliegen vaak met DC-10s. De ongeveer 70 demonstranten die op 17 augustus waren komen opdagen doorbraken een politielijn en blokkeerden de ingang van de terminal. Een demonstrante, Mary Kelly, klom over het hek, bereikte de landingsbaan en werd vervolgens gearresteerd (enkele uren later vrijgelaten). Een Amerikaans Hercules C-130 transportvliegtuig landde tijdens de actie en steeg vervolgens weer snel op, vermoedelijk te snel om te hebben kunnen bijtanken. Mogelijk een klein succesje in de strijd tegen de Amerikaanse oorlogsvoorbereidingen, ondanks de ruime aanwezigheid van luchthavenpolitie, Gardai (politie) en Special Branch (geheime politie). Op 4 september vond een nieuwe actie plaats. Eoin Dubsky schilderde met rode verf de leuze 'NO WAR" en twee grote vredessymbolen op een Amerikaanse Hercules KC-130 (een tankervliegtuig). Hij werd gearresteerd, maar dezelfde dag op borgtocht vrijgelaten zij het met een verbod van de rechter om binnen een straal van vijf mijl rond vliegveld Shannon te komen.
Bronnen:
In deze nieuwe oorlogstijden duiken soms oude bekenden weer op. Zo ook het Military Traffic Management Command (MTMC), nog wel bekend bij Reforger-veteranen onder de aktievoerders. Het MTMC is het wereldwijde transportbedrijf van het Pentagon. Daarvan is de 598th Transportation Terminal Group met een hoofdkantoor in Capelle aan de IJssel gevestigd. Deze eenheid is verantwoordelijk voor planning, coördinatie, ondersteuning en uitvoering van laden en/of lossen van Amerikaanse militaire goederen in havens in heel Europa, het Midden-Oosten en Afrika. Het heeft transportbataljons zitten in Bahrain (detachementen in Saoedi-Arabië, Koeweit en Qatar), Rotterdam (eenheden in Bremerhaven, Ipswich en Mannheim), Livorno (eenheden in Piraeus en op de Azoren) en Izmir. MTMC is natuurlijk van groot belang in de nieuwe oorlog. Zo werd op 11 en 12 januari van dit jaar in Antwerpen het nog uit Sovjet-tijden stammende vrachtschip Balakleya beladen met militair materieel dat bestemd was voor 'voorwaartse lokaties'. Het Oekraïense schip was oorspronkelijk gebouwd voor zwaar materieeltransport van het Rode Leger. Sinds 1999 is het al een aantal keren gebruikt door MTMC, in oktober 2000 nog voor een transport bestemd voor Kosovo. Dit keer werd meer dan 600 stuks materieel aan boord gebracht. Het was onder meer afkomstig uit de Amerikaanse depots in Vriezenveen en Brunssum, Bettembourg (Luxemburg), Kaiserslautern en Ramstein. Het materieel kwam per rijnaak, trein en over de weg in Antwerpen.
Bronnen:
Ooit was er een bericht dat op de slapende basis De Peel de Nederlandse kruisraketten zouden worden gestationeerd. Toen begon vanuit het gehucht Vredepeel de victorie van de vredesbeweging. Nu wordt het vliegveld stilletjes uitgebouwd tot een enorme raketbasis. Nog dit jaar zullen de eerste bomen worden gekapt om ruimte te maken voor een verdubbeling van het aantal op De Peel actieve luchtmachtmilitairen. Op dit moment zijn er al zo'n duizend van de Groep Geleide Wapens (GGW) aanwezig. Daar komen er vanuit Ede dan nog eens zo'n duizend bij van de Grondgebonden Luchtverdediging (GLVD), een landmachtonderdeel. Landmacht en luchtmacht moeten op De Peel gaan samenwerken bij de raketverdediging. Bron: De Gelderlander 12 juli 2002)
De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Powell heeft de Indonesische veiligheidsorganen 50 miljoen dollar beloofd in het kader van de 'strijd tegen het terrorisme'. Daarvan is 16 miljoen bestemd voor de politie om een terreurbestrijdingseenheid op te richten. Het leger krijgt een paar miljoen dollar voor training. De Indonesische vereniging voor rechtshulp en mensenrechten (PBHI) heeft hiertegen geprotesteerd en verklaard dat genoegzaam bekend is hoe het Indonesische leger de Amerikaanse hulp voor opleiding en wapens gebruikt om de eigen bevolking te onderdrukken, ook recentelijk nog. Iedereen kan tot 'terrorist' bestempeld worden. Enkele vrouwengroepen hebben bij de Amerikaanse ambassade gedemonstreerd tegen de militaire hulp. Bron: The Jakarta Post
Bijeenkomst over Kashmir en de relatie India-Pakistan Op 28 september organiseert de Landelijke India Werkgroep een bijeenkomst over Kashmir met twee vooraanstaande Kashmiri's van de Jammu & Kashmir Coalition for Civil Society. Het betreft Mr. Parvez Imroz, mensenrechtenactivist en president van de JKCCS en vice-president en kritisch journalist Mr. Zahir Ud-Din. Beide mensen zijn uitgenodigd door het IKV in het kader van de Vredesweek 2002.Verder zijn kamerleden van CDA en PvdA uitgenodigd. Tijdens de bijeenkomst zullen onder meer aan de orde komen: de (mensenrechten)situatie in Kashmir, de rol van Kashmir in het conflict tussen India-Pakistan, de betekenis van de vredezoekende Civil Coalition, maar ook de mogelijk bijdrage van Europa en Nederland bij het vinden van oplossingen. Moeten Nederland en Europa bijvoorbeeld niet op zijn minst afzien van wapenleveranties aan beide landen tot een definitieve vredesregeling is getroffen?
De bijeenkomst vindt plaats in de Poort van Kleef, Mariaplaats 7 te Utrecht en begint om 13 uur. Graag tevoren uw komst aanmelden bij de LIW: 030-2321340
Het Comenius Museum organiseert, in samenwerking met het Museum voor Vrede en Geweldloosheid te Amsterdam en het Antikriegsmuseum in Berlijn, de indringende tentoonstelling "Onderdrukking en Bevrijding, over dienstweigeraars en deserteurs in het Derde Rijk".
Helaas worden deserteurs en dienstweigeraars nog altijd geassocieerd met lafheid en verraad, terwijl hun weigering mee te werken aan de oorlogsmachine eigenlijk de ultieme verzetsdaad was, omdat ze wisten dat ze zwaar gestraft zouden worden. In het kader van deze tentoonstelling organiseert de Vereniging voor Medische Polemologie ( de wetenschap die de oorzaken van oorlog en vrede onderzoekt ) op 22 en 29 oktober 19.30 uur een tweetal lezingen over 'hot vredesissues' in het Comenius Museum.
Vanaf 5 september tot 3 november 2002 in het Comenius Museum Naarden.
Een informatieve discussie- en filmmiddag wordt op zaterdag 12 oktober gehouden van 14.00 tot 17.00 in de Blauwe Aanslag, Buitenom 214 te Den Haag. Thema: De Nederlandse wapenhandel. De middag dient tevens als voorbereiding op vredesacties op donderdag 17 oktober bij het Congrescentrum, Churchillplein 10, Den Haag. Op die dag houden daar de Nederlandse wapenfirma's, georganiseerd in de Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensie-opdrachten (NIID) hun militaire jaarbeurs, met als motto 'Verborgen kennis'.
|