Aangepast zoeken
VD AMOK archief VredesMagazines Onderzoeksdossier VD AMOKnummer 2, jaargang 2, 2009 |
|||||||||||
| Soort kernwapen | Aantal | |
|---|---|---|
Operationele, opgestelde strategische wapens Totaal operationele, opgestelde kernwapens Reserve (actief en inactief) |
2.200 2.700 2.500 | |
|
Totaal arsenaal kernwapens Teruggetrokken (in afwachting van ontmanteling) |
5.200 4.200 | |
| Totaal bestand aan kernwapens | 9.400 | |
| Bron: Hans Kristensen - FAS Strategic Security Blog, 9 februari 2009 www.fas.org/blog/ssp/ | ||
Rusland zou 2.700 inzetbare strategische kernkoppen bezitten. De reservevoorraden zoals beschreven in de tabel bestaan ook aan Russische kant. Het gaat om kernkoppen die geen draagsysteem hebben of bedoeld zijn voor ontmanteling. Die aantallen zijn veel kleiner dan de totale kernwapenvoorraden op het hoogtepunt van de Koude Oorlog: een slordige 45.000 voor Rusland in de jaren tachtig en zo’n 32.000 voor de VS in de jaren zestig.
Deze kolossale vermindering is zeker vooruitgang, maar de grote vraag is waarnaartoe? De bestaande kernwapenmacht is nog steeds ruim voldoende om de wereld vele malen te vernietigen. Het maakt helaas niet zo vreselijk veel uit of men dat duizend maal of honderd maal kan doen. Een kernwapenoorlog betekent nog altijd het einde van de beschaving. Alleen vermindering naar het nulpunt, zoals geëist door de anti-kernwapenbeweging, is eigenlijk acceptabel indien de veiligheid van de mensheid voorop staat.
De algemene verklaringen zijn belangrijk, zoals die door vele politici, inclusief minister Verhagen vorig jaar, zijn afgegeven ten gunste van nucleaire ontwapening. Maar doorslaggevend zijn de daadwerkelijke stappen.
Vlak voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen vorig jaar gaf de Republikeinse minister Gates, toen en nu de Amerikaanse minister van defensie, een inkijk in de Amerikaanse interpretatie van ‘nucleaire ontwapening’. In een uitvoerige toespraak bij de Carnegie Endowment for International Peace (Washington, 28 oktober 2008) werden de kernpunten van het komende beleid uiteengezet. Daar valt de handhaving van de strategische triade onder, die bestaat uit drie elementen: ten eerste de nucleaire en conventionele aanvalskracht; ten tweede de defensieve systemen zoals het raketschild, ten derde de infrastructuur om de eerste twee te ondersteunen. Er zou onderhandeld worden met Rusland over reducties in de aantallen strategische kernwapens, maar niet over nucleaire ontwapening. Het nucleaire beleid van de NAVO, in het Pentagon omschreven als extended deterrence (uitgebreide afschrikking) wordt gehandhaafd en er wordt een nieuw kernwapen ontwikkeld, de Reliable Replacement Warhead (RRW). Dit is bedoeld als vervanging van verouderde kernbommen zonder te hoeven testen, en daarom kan het nucleaire teststop verdrag door de VS worden geratificeerd. Momenteel kan het verdrag niet in werking treden, omdat een aantal landen, waaronder de VS, het niet hebben geratificeerd. Gates presenteerde aanvaarding van de RRW als een noodzakelijke voorwaarde voor een teststopverdrag. Het Europees raketschild beschreef Gates als noodzakelijk.
Na de verkiezingen zijn door de regering Obama een aantal stappen gezet die tot nog toe niet afwijken van de boven geschetste plannen van minister Gates. Er gaat serieus onderhandeld worden met Rusland voor een nieuw verdrag om de aantallen kernwapens verder te verminderen. De VS heeft in feite al het niveau bereikt, dat was afgesproken in de overeenkomst van Moskou (2002): 2.200 strategische kernkoppen. Men wil nu de oude START-overeenkomst, die dit jaar afloopt, verlengen en nieuwe limieten vastleggen. Volgens dat verdrag mogen VS en Rusland 6.000 strategische kernkoppen operationeel houden. Tijdens een ontmoeting van de Russische en Amerikaanse ministers van buitenlandse zaken Lavrov en Clinton, begin maart in Genève, werd dit expliciet bevestigd. Het doel is om te komen tot een verifieerbare kernwapenmacht van 1.000 kernkoppen aan beide zijden, voor het eind van 2009. De gedachte daarbij is dat de grootste kernmachten moeten aantonen dat ze serieus zijn over nucleaire ontwapening, willen ze een geloofwaardige positie innemen tijdens de evaluatieconferentie van het Non Proliferatie Verdrag die in 2010 zal plaatsvinden. Die bijeenkomst wordt alom gezien als een laatste kans om via internationale afspraken de verdere verspreiding van kernwapens te verhinderen.
Maar de Amerikaanse regering handhaaft tegelijkertijd een beleid, dat wijst op de handhaving van een weliswaar kleiner, maar robuust nucleair arsenaal. De door Gates voorgestane ontwikkeling van een speciale nieuwe kernkop, de RRW, is niet ingetrokken. De bouw van een fabriek waarin nucleaire kernen (de ‘pits’) voor een kernwapen kunnen worden geproduceerd, het $ 2,6 miljard CMRR project, wordt voortgezet. Over het raketschild werd eerder door Obama gezegd dat dit moet doorgaan als het werkt. De recente onthulling in de New York Times, dat er sprake zou zijn van een overeenkomst waarbij de VS zou afzien van het Europese raketschild en Rusland medewerking zou verlenen aan het Amerikaanse beleid tegen het Iraanse nucleaire programma, werd later expliciet ontkend door Obama. Hij herhaalde dat het raketschild tegen Iran en niet tegen Rusland was gericht. De Russische reactie liet niet lang op zich wachten: bij aanleg van het schild, verklaarde minister Lavrov, zou Rusland tegenmaatregelen nemen. Al eerder verklaarde de Russische generaal Popovkin hetzelfde en ook dat meer dan $10 miljard zou worden uitgegeven aan het moderniseren van de strategische Russische kernwapenmacht.
Deze ontwikkelingen zijn te duiden als onderhandelingsstappen op weg naar een nieuwe strategische balans met minder kernraketten, maar met een gemoderniseerde nucleaire slagkracht aan beide kanten.
Dit alles heeft vanzelfsprekend zeer weinig te maken met de eisen van bijvoorbeeld de Burgemeesters voor Vrede en de bredere vredesbeweging dat er serieuze stappen naar nucleaire ontwapening moeten worden genomen, waarbij een nucleair ontwapeningsverdrag dat de partijen vastlegt op het nulpunt, essentieel is. Het lijkt verstandig voor antikernwapen-activisten om niet te vertrouwen op uitvoering van een nucleaire ontwapeningsagenda door Obama. Als ze dat wel doen – en daar zijn helaas veel tekenen van –zullen ze bitter worden teleurgesteld.
Karel Koster
Onderzoeker Wetenschappelijk Bureau SP
De berichtgeving over het Iraanse nucleaire programma heeft de afgelopen jaren een bijklank gekregen die veel lijkt op die over Irak in de aanloop naar de invasie van dat land. ‘Nucleair programma’ wordt zo langzamerhand in de beeldvorming voor het grote publiek gelijkgesteld aan ‘kernwapenprogramma’.
De presentatie van de feiten hierover is vrijwel steeds hetzelfde. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een resolutie in de Veiligheidsraad of het verschijnen van een rapport van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) over het Iraanse nucleaire programma. Het laatste rapport verscheen 19 februari jl. Zulke rapporten zijn verslagen van de bevindingen van het technisch personeel van de IAEA voor de bestuursraad, gepresenteerd door de directeur. De raad is een politiek orgaan met vertegenwoordigers van 35 landen die deels op grond van hun nucleaire status voor twee jaar worden gekozen. Die raad beslist of er naar aanleiding van een rapport verdere stappen ondernomen worden of verduidelijkingen worden geëist van het land waarover het rapport gaat.
In het geval van Iran zijn er sinds 2003 vele rapporten geweest die steeds vragen opwierpen over het nucleaire programma van dat land. Naar aanleiding van een dergelijk rapport is in februari 2006 door de IAEA-bestuursraad besloten om het dossier naar de Veiligheidsraad over te hevelen. Volgens de statuten mocht dat alleen als er bewijzen waren van het omleiden van nucleair materiaal van civiel naar militair gebruik. De rapporten op zich gaven niet afdoende aanleiding voor dat besluit. Het ging dus om een politieke interpretatie van de opgeworpen twijfels. De betekenis van die overheveling was verreikend: in plaats van een technische kwestie (afdoende beantwoording van de vragen van de IAEA-deskundigen) is het dossier Iran veranderd in een ‘bedreiging voor de internationale veiligheid’ met alle gevolgen van dien voor de beeldvorming. Sindsdien is er dan ook sprake van constant getouwtrek tussen de IAEA, vertegenwoordigd door zijn directeur de heer El-Baradei, en de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad plus Duitsland (namens de EU) die via Veiligheidsraad-resoluties steeds verdergaande sancties tegen Iran invoeren.
Voor de volledigheid is het belangrijk om op te merken dat er naast deze sancties een groot aantal unilaterale maatregelen zijn genomen door de VS om investeringen in en handel met Iran te verhinderen dan wel te belemmeren. Ook Amerikaanse bondgenoten zijn onder druk gezet om soortgelijke stappen te ondernemen. De EU is daar, met instemming van de Nederlandse regering, deels ook toe overgegaan, met als laatste hoogtepunt de unieke maatregel om Iraanse studenten uit te sluiten van bepaalde nucleair gerelateerde studieonderdelen.
Met het aantreden van president Obama zal er misschien verandering komen in het Amerikaanse beleid. Er is in ieder geval een zekere bereidheid om te onderhandelen. Daarbij blijft de kernvraag: wordt van tevoren geëist dat Iran haar civiele en door de IAEA gecontroleerde verrijkingsprogramma stopzet of wordt er een open onderhandelingsproces op gang gebracht? De andere cruciale vraag is of Israël in staat is om de VS over te halen de zaak te laten escaleren. Het is zeker Israëlisch beleid om dat te doen. Maar omdat Israël geen grootscheeps luchtoffensief kan ondernemen tegen Iran, nog afgezien van de politieke instemming die het van de VS nodig heeft, blijft de Amerikaanse positie doorslaggevend.
(KaKo)
In dit artikel wil ik proberen een inschatting te maken van de gevolgen die de verkiezing van Barack Obama tot president zal hebben voor de militaire bestedingen van de Verenigde Staten. Gedurende de afgelopen halve eeuw hebben de Verenigde Staten bijna continu gebruik gemaakt van economisch beleid, dat door kritische economen bestempeld wordt als 'militair keynesianisme'. Deze term verwijst naar de neiging van een regering om de vraag naar goederen in de maatschappij te stimuleren via aankopen voor het leger. Zulk macro-economisch beleid kan ertoe leiden dat militaire bestedingen als de belangrijkste hefboom functioneren voor het aanzwengelen van de economie, maar het kan evengoed aanvullend zijn bedoeld: ter aanvulling van de stimulerende rol die door een marktsector wordt vervuld, bijvoorbeeld de sector waar informatica worden geproduceerd; of als aanvulling op civiele investeringsmaatregelen die een regering zelf neemt. Juist omdat er over het begrip militair keynesianisme veel verwarring bestaat, is het goed de betekenis van het begrip ter inleiding van dit artikel over de VS onder Obama kort te duiden. Daarmee is hopelijk meteen duidelijk gemaakt dat er meerdere opties bestaan die als militair keynesianisme kunnen worden bestempeld.
In de internationale pers, en ook in Nederlandse kranten, is er de afgelopen weken uitvoerig geschreven over de maatregelen die de huidige VS regering wil nemen om de Amerikaanse economie uit het slop te trekken. Daarbij valt op dat er eigenlijk alleen over civiele reddingsmaatregelen en civiele publieke investeringen wordt gerept. Hoewel de bankensector zoals bekend primair verantwoordelijk is voor het feit dat de VS- en de wereldeconomie sinds het laatste kwartaal van 2008 in een diepe recessie zijn beland, worden er massale hoeveelheden geld beschikbaar gesteld om financiële instellingen te redden. Zo wil de regering Obama een aparte bank oprichten, waarin banken leningen kunnen wegzetten die zij naar verwachting niet zullen kunnen terug innen, en er worden al even duizelingwekkend grote bedragen gereserveerd om de vraag naar consumptiegoederen te stimuleren. Daarnaast wordt ook stevig geïnvesteerd in verbetering van de Amerikaanse infrastructuur, en in computers en opknapbeurten voor scholen. Bovendien gaat de nieuwe regering ook een aanzienlijk bedrag steken in onderzoek naar en productie van middelen voor opwekking van alternatieve energie, zoals windmolens en zonnepanelen. Veel van deze stimuleringsmaatregelen worden terecht als vormen van civiel keynesianisme aangemerkt.
In eerste instantie lijkt er dus sprake van een breuk met het verleden, een breuk met het economisch beleid dat onder de Republikeinse president Bush is gevoerd. Hoewel Bush aan het eind van zijn ambtstermijn vorig jaar plotsklaps een voorstel bij het Congres op tafel legde om de dreiging van een crisis via civiele bestedingen af te wentelen, lag het accent gedurende zijn hele ambtstermijn op militaire overheidsbestedingen. Die uitgaven omvatten niet alleen de reguliere ‘defensie’-begroting, een begroting die werd verdubbeld tot bijna 600 miljard dollar. Daarnaast zijn er de lopende oorlogsuitgaven (Irak en Afghanistan), die opliepen tot zo’n 150 miljard dollar. En ten slotte zijn er nog uitgaven die door de meeste thinktanks en economen in de VS over het hoofd worden gezien, zoals een fonds voor nazorg van veteranen, van soldaten die in oorlogen gewond zijn geraakt, een speciaal pensioenfonds voor militairen en ook een post voor rente-uitgaven, de rente die betaald moet worden voor leningen die in het verleden zijn gesloten om tekorten ontstaan door de hoge ‘defensie’-uitgaven te dekken. Volgens de econoom Chalmers Johnson werden de totale uitgaven voor het Amerikaanse leger in 2008 op meer dan een biljoen (1.000 miljard) Amerikaanse dollars beraamd. Men kan gerust stellen, dat de militaire uitgaven onder Bush jr. de motor van de Amerikaanse economie waren.
In hoeverre zal er onder Obama het mes worden gezet in die extreem hoge militaire uitgaven? In de internationale pers wordt het nieuwe stimuleringsbeleid van de VS onder Obama, en ook dat van andere grootmachten, getypeerd als een Green New Deal. Deze aantrekkelijke term verwijst naar de bereidheid van de regering van de VS en andere regeringen om investeringsmaatregelen in het pakket op te nemen die erop zijn gericht om de uitstoot van broeikasgassen terug te brengen, en om het gebruik van niet-fossiele brandstoffen te bevorderen. Maar de term verwijst ook naar de New Deal van de Amerikaanse president Roosevelt die regeerde tijdens de lange depressie van de jaren dertig. Net als nu moest de overheid destijds stevig ingrijpen om de gevolgen van het instorten van de beurs, tijdens de beruchte krach van 1929, tegen te gaan. Net als nu werden er in de eerste helft van de jaren dertig heel veel financiële middelen ingezet om het stelsel van banken te redden (zo’n tweederde van het totaal). En net als nu zag de regering zich gedwongen om de werkeloosheid tegen te gaan en om sociaal zwakke groepen te helpen. Daartoe werd ondermeer een wet aangenomen die de regering in staat stelde gaarkeukens te openen, en er werd ook een wet goedgekeurd ten gunste van sociale zekerheid voor ouderen en gehandicapten.
Toch is het erg verhullend om het beleid van Obama af te schilderen als een verbeterde, een groene versie van dat van Roosevelt. Het klopt weliswaar dat de huidige regering tot op zekere hoogte lering lijkt te trekken uit de ervaringen van de jaren dertig. Immers, een van de beperkingen van de New Deal van Roosevelt was volgens zowel keynesiaanse als marxistische economen, dat de hoeveelheid geld die voor werkgelegenheid en andere sociale projecten werd ingezet veel te beperkt was. Obama daarentegen aarzelt niet om grote bedragen in te zetten ter bevordering van de werkgelegenheid. Maar het meest kenmerkende van de New Deal periode was toch wel dat de militaire uitgaven op een relatief laag peil bleven steken. Ze werden wel verdubbeld gedurende de tien jaar die liepen van 1929 tot 1939, maar bedroegen in het laatstgenoemde jaar slechts 1,4 % van het Amerikaanse Bruto Binnenlands Product (BBP). En dat terwijl de civiele overheidsuitgaven een veelvoud van de militaire uitgaven bedroegen. Het allerbelangrijkste kenmerk van de New Deal tijdens die periode van voor de Tweede Wereldoorlog was juist dat het regeringsbeleid niet of nauwelijks stoelde op militair keynesianisme. De regering geloofde dat ze het zonder deze vorm van verkwisting kon doen!
Maar wellicht gaat president Obama in de toekomst toch tornen aan de Amerikaanse militaire bestedingen? Dat valt inderdaad niet uit te sluiten, maar het lijkt er toch wel op dat eventuele aanpassingen hooguit van cosmetische aard zullen zijn. Tijdens zijn verkiezingscampagne heeft Obama de keuzes die hij samen met zijn running mate, de huidige vice-president Joe Biden wil maken, keurig op een rijtje gezet. Zo vond het tweetal dat de bezem moet worden gehaald door het aankoopbeleid van het Pentagon, zodat meer wapenbedrijven mee kunnen dingen naar opdrachten, en ook dat er beter toezicht moet komen op de uitgaven die gedaan worden onder de speciale oorlogsbegroting (!). Maar tegelijkertijd zetten zij ook in op uitbreiding van het Amerikaanse leger, liefst met 92.000 mensen (ter versterking van infanterie en marine). Bovendien heeft Obama de Republikeinse minister van ‘defensie’ Gates, die juist zekerstelling van het niveau van de officiële militaire begroting heeft bepleit (op 4,5 % van het BBP), opgenomen in zijn kabinet. En de sterkste aanduiding dat het oorlogszuchtige en militair keynesiaanse beleid van Bush jr. wordt voortgezet is wel het besluit van de nieuwe president een extra troepenmacht naar Afghanistan te sturen, van 17.000 soldaten – om te beginnen. Als het aan de militaire commandant van de VS in Afghanistan, David McKiernan ligt, komen daar nog minstens 25.000 Amerikaanse soldaten bovenop…
De conclusie lijkt daarom gerechtvaardigd, dat het beleid van militair keynesianisme onder Obama steevast wordt voortgezet, en dat de VS beslist niet zal terugkeren naar de New Deal-periode van president Roosevelt. Het is mogelijk dat de Democratische President in de toekomst meer zal leunen op het beleid dat door zijn voorganger Bill Clinton werd gevoerd. In de jaren negentig vertrouwde de VS regering primair op de informaticasector als motor van de economie, en liet militaire uitgaven de tweede viool spelen. Er was sprake van militair keynesianisme, maar eerder in secundaire zin. En om dat economisch beleid te ondersteunen, zette Clinton in op uitbreiding van de wapenexporten, onder meer via het smeden van transatlantische samenwerkingverbanden tussen monopoliebedrijven in de Amerikaanse en de Europese militaire sectoren. Ook dat beleid vormde een bedreiging voor de wereld, en hield massale verspilling van financiële middelen in, zij het op een iets beperktere schaal dan het beleid van Bush jr. Op dit moment ontbreken er echter aanwijzingen dat Obama serieus gaat snoeien in de militaire begroting van de VS. Hoewel de euforie over zijn verkiezing na 8 verstikkende jaren Bush erg begrijpelijk is, blijft keynesiaanse verspilling voorlopig aan de orde van de dag.
Peter Custers
auteur van Questioning Globalized Militarism. Nuclear and Military Production and Critical Economic Theory (Merlin Press, Londen, UK, 2007)
Welke mensen maken deel uit van Obama’s inlichtingen, defensie en buitenlandse zaken team? Al snel werd duidelijk dat de personele veranderingen kleiner zouden zijn dan gehoopt. Het team dat de overdracht regelde stond onder leiding van John Podesta - eerder de chefstaf in Clinton’s Witte Huis - en zat vol bekende ex-ministers o.a.: Madeleine Albright (BuZa), Robert Rubin (Fin), William Perry (Def). Als ik zeven termen mocht geven om de mensen die ik tegenkwam onder te scharen, dan zouden die zijn: Bill Clinton, energiepolitiek, kredietcrisis, Fanny Mae (de hypotheekbank die met leningen aan te arme Amerikanen de aanzet gaf tot de kredietcrisis), Iran, Afghanistan en mannen.
Hillary Rodham Clinton, werd tijdens haar campagne meer dan alle andere kandidaten gesponsord door de wapenindustrie. In een plan uit maart 2008 stelt ze een prioriteit van Afghanistan te willen maken en dat de “Afghanen luchttransport ontvangen en moderne wapens – geen Koude Oorlogsafdankertjes – om de oorlog te winnen.” Zo win je inderdaad de steun van de wapenfabrikanten.
James B Steinberg, onderminister voor buitenlandse zaken, heeft een enorme staat van dienst: Brookings Institution, International Institute for Strategic Studies (IISS), nationaal veiligheidsadviseur onder Clinton etc.
Steinberg over preventieve oorlogvoering: “Maar er zullen zonder twijfel in de toekomst omstandigheden zijn dat politici de mogelijheid willen kunnen gebruiken om de strijdkrachten preventief in te zetten – om terroristen te doden, om wapen proliferatie te voorkomen, genocide te stoppen, de verspreiding van dodelijke ziektes te stoppen, of om om te gaan met andere gevaren.” Kortom, wanneer niet? In 2005 vroeg hij, samen met een groot aantal rechtse analisten, aan het Congress de defensieuitgaven te verhogen en meer troepen naar Irak te sturen.
Jacob J. Lew, onderminister voor buitenlandse zaken, was directeur van de Office of Management and Budget in het Witte Huis onder Clinton. Lew is oprichter van de Center for Middle East Research en advocaat gespecialiseerd in energiezaken.
William Perry, de minister van defensie onder Clinton, was al afgezant en gesprekspartner van hoge personen in Iran. De gesprekken gingen over nucleaire wapens, het vredesproces in het Midden-Oosten en kwesties rond de Perzische Golf.
Richard Holbrooke is Obama’s afgezant voor Afghanistan en Pakistan. Hij begon zijn carriere in de Buitenlandse Dienst al in de jaren zestig, ook in Azië. Hij was, naast andere nog minder fraaie activiteiten, betrokken bij de beruchte pacificatie campagne in de Mekong Delta in Zuid-Vietnam. Scott Ritter, de bekende medewerker van de VN ontwapeningsmissie in Irak (UNSCOM) noemt hem iemand die "niet alleen heeft laten zien dat hij geen samenhangende visie heeft als het neer komt op complexe zaken zoals in Afghanistan (laat staan Pakistan), maar ook bekend staat om de militaire oplossing te verkiezen boven de diplomatieke.”
Dennis Ross adviseur voor de Golfregio, inclusief Iran en het Midden-Oosten. Ross is co-auteur van Obama’s eerste belangrijke Midden-Oosten speech, in de zomer van 2008. Hij werkte in de jaren zeventig onder Paul Wolfowitz in het Pentagon. Later was hij als medewerker van Bill Clinton betrokken bij onderhandelingen tussen Israël en de Arabische landen. Hij werd in die functie de advocaat van Israël genoemd. Ross staat bekend om zijn harde standpunt met betrekking tot Iran. Net als Holbrook was Ross lid van een adviesraad van havikken verenigd onder de naam United Against Nuclear Iran.
Ivo Daalder wordt ambassadeur bij de NAVO. Daalder is Amerikaans staatsburger, maar heeft een Nederlandse achtergrond. Hij wordt beschouwd als een havik. Hij is auteur van verschillende boeken, waaronder Getting to Dayton.
Rober Gates de minister van defensie is het meest opvallende overblijfsel van de regering Bush. Zijn optreden tijdens het Iran Contra schandaal wordt regelmatig genoemd. Howard Teicher, medewerker van de National Security Council, beweerde dat Gates betrokken was bij geheime wapenleveranties aan Saddam Hoessein. Natuurlijk is alles beter dan Rumsfeld, maar onder Obama verwachtte ik meer. Richard Danzig (noot 1) staat mogelijk klaar om Gates op te volgen. Niet alleen Gates, maar ook veel van zijn vrienden zijn blijven zitten, zoals de adviseur op inlichtingengebied voormalig luitenant-generaal van de luchtmacht James Clapper en medewerker speciale operaties Michael G. Vickers.
Opvallend is ook Michèle Flournoy, onderminister voor defensiebeleid en tot nu toe de hoogste vrouwelijke ambtenaar in de geschiedenis van het Pentagon. Ook zij behoort tot de invloedrijke Defensietop. Flournuy stond aan de basis van de Center for the New American Security (CNAS) en komt uit de Clinton entourage.
William J. Lynn III heeft zijn baantje bij Raytheon – de op vijf na grootste wapenfabrikant in de wereld – er voor op moeten geven, maar hij heeft de post van onderminister van defensie. Lynn was bij Raytheon belast met de strategische planning en de relaties met de regering. Een lobbyist voor de wapenindustrie die direct daarna een hoge positie in het Pentagon heeft. Een smet op de uitstraling die de regering Obama wil hebben.
Ashton B. Carter wordt hoofd wapeninkoop gaat de materieel- en onderzoeksbudgetten van het Pentagon reorganiseren en de uitgaven rationaliseren. Het gaat om een begroting van meer dan 200 miljard dollar per jaar, vol wildgroei en onoverzichtelijk. Carter is expert op het gebied van wapenbeheersing en de eerste man op deze post zonder directe banden met de wapenindustrie of overheidsaankoopbeleid. Hij bekritiseerde als professor het Pentagon regelmatig voor het kopen van wapens die het niet nodig heeft, gebrek aan discipline en aan het bewustzijn dat die wapens en militaire diensten steeds duurder worden. De bedoeling is om door reorganisaties de dollars beter te besteden, niet om er minder uit te geven, zodat uiteindelijk een beter bewapend leger op de been gebracht kan worden.
Jim Jones, nationaal veiligheidsadviseur, is een pleitbezorger voor hogere defensieuitgaven. Na zijn pensionering zat hij onder andere in de directie van Chevron (Condoleeza Rice bekleedde die positie ook) en adviseerde het Instituut voor Energie in de 21ste eeuw van de Amerikaanse Kamer van Koophandel. De Kamer riep de Amerikaanse regering op de NAVO actiever te maken op het gebied van energievraagstukken en er bij lidstaten op aan te dringen het mandaat te verbreden, zodat ook energieveiligheid hieronder zou vallen. Jones was tegen de terugtrekking uit Irak, omdat die tegen Amerikaanse belangen zou zijn. Hij ondersteunt de oorlog in Afghanistan, omdat het "symbolisch meer het epicentrum van het terrorisme is dan Irak."
Thomas E. Donilon is plaatsvervangend nationaal veiligheidsadviseur. Tijdens de regering Clinton was hij hoofd van de staf van buitenlandse zaken. In zijn functie van onderdirecteur bij Fannie Mae was hij tegen scherper toezicht en verdiende daar miljoenen mee. Donilon is medewerker geweest van de eerste minister van buitenlandse zaken van Clinton, Warren Christopher.
Voormalig admiraal Dennis Blair is de directeur nationale inlichtingen. Zijn eerste grote werkstuk, de jaarlijkse dreigingsanalyse, verscheen begin februari 2008. Hierin werd een verschuiving van terrorisme naar economische crisis als grootste bedreiging voor de belangen van de VS gezien. Blair was van februari 1999 tot mei 2002 hoofd van het Commando voor de Stille Oceaan, in de tijd dat Oost-Timor zich los maakte van Indonesië. Hij spande zich in om de Indonesische kant te steunen. Zijn voordracht leidde tot felle protesten van de Amerikaanse solidariteitsgroep voor Oost-Timor die werden gesteund door een aantal VK-bloggers.
Leon E. Panetta (noot 2), de nieuwe CIA directeur is voormalig hoofd van de staf van het Witte Huis onder Bill Clinton. Hij was lid van de Baker Commission die een advies schreef over Irak. Panetta zegt de volgende vragen te willen beantwoorden: waar zit Osama bin Laden en waar zal al-Qaida de volgende keer aanvallen in de VS. Verder wil hij betere analyses over problemen in Rusland, China, Afrika en Latijns-Amerika en de economische crisis. Nummer twee, Stephen R. Kappes, voormalig officier der mariniers en CIA-veteraan zal onder Panetta mogen blijven. Zo wordt de kool en de geit gespaard; Panetta is niet belast met inlichtingenschandalen uit het verleden en tegelijkertijd compenseert Kappes Panetta’s onervarenheid op inlichtingengebied. Het kan nog leuk worden daar.
Charles 'Chas' Freeman is beoogd voorzitter van de National Intelligence Council (NIC). Hij is de voormalige ambassadeur van de VS in Saoedi Arabië, medewerker van het Pentagon gedurende de Reagan-periode en voorzitter van de Middle East Policy Council. Freeman ondervindt tegenstand van neocons en de Israëllobby, onder andere vanwege zijn visies op Israël, Iran en Afghanistan. In verband met dit laatste land: "Onze opzet was (…) wereldwijd opererende terroristen het gebruik van Afghaans grondgebied onmogelijk te maken. Dat was en is een bereikbaar doel. Het is een beperkt doel dat kan worden bereikt tegen redelijke kosten. We moeten terugkeren naar een sterke focus op dit doel." Hij trok zich half maart als gevolg van deze druk terug.
Samenstelling: Martin Broek
Een versie van dit overzicht verscheen op 25 maart 2009 op zijn weblog: wekelijks.volkskrantblog.nl/
Noten:
Een slechtere indruk maken dan de kleine Bush was bijna onmogelijk en dus stak Obama met zijn mooie woorden en zijn boodschap buitengewoon goed af tegen dit presidentiële gedrocht. En natuurlijk, we kunnen er niet omheen, hij is de eerste gekleurde president, maar wat gekleurd betreft steekt hij wat schraal af tegen Martin Luther King die met geweldloze acties een verandering op gang bracht, en tegen de radicale strijdbaarheid van de Black Panthers.
Obama is geen revolutionair en is niet iemand die het roer om gaat gooien, zeker niet op het gebied van de buitenlandse politiek. Hij is vooral een man van mooie woorden en een bezielend spreker, maar echte verandering is niet waar hij op uit is. Hij gaat andere accenten leggen: meer Afghanistan en minder Irak, Guantanamo Bay op termijn dicht maar de CIA wel de vrije hand geven verdachten van terrorisme te laten verhoren in landen waar martelen de normaalste zaak van de wereld is. Ook zal hij zeer waarschijnlijk niet alle inbreuken op de burgerrechten terugdraaien, waarvan een groot aantal na 11 September zijn ingevoerd.
Sinds de VS de grootse koloniale mogendheid ter wereld werd, heeft het geen enkele president gehad, die zich het bevorderen van vrede ten doel stelde. Zelfs de altijd zo bewierookte John F. was een ordinaire warlord die de wereld bijna de afgrond induwde met de Varkensbaaicrisis en de oorlog in Vietnam opvoerde.
De bruidsdagen zijn voorbij en alle opgeklopte retoriek. Met de aan hysterie grenzende Obamania moet het nu maar eens afgelopen zijn. Maarten van Rossem die in november nog een traantje wegpinkte, wat had ik dat moment graag willen missen, is weer bij zinnen. Nu de rest van de wereld nog.
"Ja, we kunnen de wereld veranderen, maar dat zullen we niet doen omdat dat niet in ons belang is. We zullen de wereld net als altijd op basis van opportunistische arrogantie de wet voorschrijven. Mensenrechten tellen slechts wanneer het ons uitkomt etc. etc." Deze boodschap bekt niet zo lekker en moest om reclame- en imagotechnische redenen wijken voor het doeltreffende: Yes we can!
En Nederland zal net als altijd braaf achter de grote broer aanhobbelen, opzitten en pootjes geven. "Ja meneer Obama, nee meneer Obama." Business as usual, alleen niet in de business maar dat is weer een heel ander verhaal.
Artikel Barack Obama: en.wikipedia.org/wiki/Barack_Obama
Van hieruit kan onder meer worden doorgeklikt naar:
- Political positions of Barack Obama
- Foreign policy of the Barack Obama administration
- First 100 days of Barack Obama’s presidency
- Timeline of the Presidency of Barack Obama
Barack Obama, Renewing American Leadership – Common Security for our Common Humanity Foreign Affairs, juli/augustus 2007
Jonathan Steele, Now he must declare that the war on terror is over The Guardian, 6 november 2008
Philip Stephens, The choice for Obama lies on the road to Jerusalem Financial Times, 13 november 13, 2008
Rory Stewart, The ‘Good War’ Isn’t Worth Fighting New York Times, 23 november 2008
Katrina Vanden Heuvel, Obama must get Afghanistan right The Nation, January 9, 2009
Joanne Mariner, Benchmarking Obama – How to Evaluate the New Administration's Counter-Terrorism Policies. Counterpunch, 17 februari 2009
Charlie Savage, Obama’s War on Terror May Resemble Bush’s in Some Areas New York Times, 17 februari 2009
Anthony DiMaggio, From Bush to Obama – Seven Years of Wartime Propaganda Counterpunch, 27 februari, 2009
Veel media hebben speciale Obamapagina’s op hun website:
BBC News Special Report – Obama’s First 100 days
The Guardian – Obama administration: The First 100 days
The Huffington Post – Obama’s First 100 days
The Independent – White House
On the Issues verzamelt citaten van allerlei politici, waaronder ook Obama,over actuele onderwerpen
Fair (Fairness & Accuracy in Reporting) en hun tijdschrift Extra! besteden regelmatig aandacht aan de nieuwe president. Hun artikelen staan deels online
Foreign Policy in Focus heeft de rubriek Strategic Focus on Empire met aandacht voor de kosten van het imperium, wapensystemen en overzeese militaire bases.
De Mclaughlingroup is een wekelijks journalistenpanel over de Amerikaanse politiek
The Nation (de Groene Amsterdammer van de VS) – heeft verschillende relevante blogs, zoals State of Change en The Dreyfuss Report (over de buitenlandse en veiligheidspolitiek van de VS)
OpenDemocracy – de wekelijkse column van Paul Rogers is de beste en meest tijdsbesparende manier om de Amerikaanse militaire politiek te volgen. Op deze site verschijnen af en toe ook artikelen van Fred Halliday en Mary Kaldor.
War in context besteedt veel aandacht aan de actuele politiek van de VS ten aanzien van de economische wereldcrisis en het Midden-Oosten.